ECLI:NL:RBDHA:2026:2065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.33712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging asielbesluit wegens onvoldoende motivering en actuele situatie Iran

De rechtbank Den Haag heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een asielaanvraag van een Iraanse eiser. In een eerdere tussenuitspraak waren gebreken in het bestreden besluit vastgesteld en was verweerder in de gelegenheid gesteld deze te herstellen. Het aanvullend besluit van verweerder voldeed echter niet aan deze vereisten, met name omdat het onterecht aannam dat eiser zijn afvalligheid niet openlijk hoeft te uiten in Iran en dat de Iraanse autoriteiten daarom niet op de hoogte zouden raken.

Daarnaast heeft verweerder nagelaten onderzoek te verrichten naar de actuele situatie in Iran, waarin terugkeerders na een langer verblijf in het Westen door de autoriteiten verdacht worden en risico lopen op vervolging of ernstige schade. Dit onderzoek is noodzakelijk om de risico's voor eiser adequaat te kunnen inschatten. Verweerder heeft ook geen verzoek tot aanhouding van de procedure gedaan om dit onderzoek uit te voeren.

De rechtbank oordeelt dat de gebreken in het besluit niet zijn hersteld en dat het beroep gegrond is. De besluiten worden vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, waarin een actuele en deugdelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering en afvalligheid van eiser wordt gemaakt, evenals een risico-inschatting van terugkeer naar Iran. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het asielbesluit wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit binnen 12 weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33712
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 22 januari 2025 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank gebreken in het bestreden besluit van
27 augustus 2024 geconstateerd, het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld deze gebreken binnen zes weken dan wel, indien eiser nader zal worden gehoord, binnen twaalf weken te herstellen.
Bij bericht van 11 april 2025 heeft verweerder verzocht om verlenging van de termijn waarbinnen de gebreken dienen te worden hersteld.
Bij tussenuitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank deze termijn verlengd tot uiterlijk 23 april 2025.
Op 22 april 2025 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen.
Bij zienswijze van 26 september 2025 heeft eiser hierop gereageerd.
Bij bericht van 21 oktober 2025 heeft verweerder, desgevraagd, te kennen gegeven zijn standpunt op een nadere zitting te willen toelichten.
Op 2 februari 2026 heeft verweerder, desgevraagd, een verweerschrift ingediend.
Op 4 februari 2026 heeft verweerder, desgevraagd, een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL24.33713 (het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening), op 5 februari 2026 wederom op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Adel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en het aanvullend besluit;
- draagt verweerder op om binnen 12 weken na de dag van de mondelinge uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,-.

Overwegingen

1. Deze (mondelinge) uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 22 januari 2025. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
2. De eerste reden voor vernietiging van de besluiten is dat verweerder met het aanvullend besluit een onjuiste en onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. In overweging 4.2. van de tussenuitspraak heeft de rechtbank duidelijk toegelicht hoe verweerder de gebreken in het bestreden besluit kon herstellen. Dat kon namelijk door alsnog te beoordelen en deugdelijk te motiveren dat eiser bij terugkeer naar Iran geen asielwaardige problemen staat te wachten als de Iraanse autoriteiten op het vliegveld of daarbuiten erachter komen dat hij afvallig is. Een dergelijke beoordeling en motivering heeft verweerder in het aanvullend besluit niet dan wel niet voldoende gegeven. Wat verweerder in het aanvullend besluit heeft gemotiveerd is dat het voor eiser, ter behoud van zijn religieuze identiteit, niet noodzakelijk is dat hij zich Iran openlijk uit over zijn afvalligheid, dat daarom wordt verwacht dat hij dit, zowel op het vliegveld als daarbuiten, niet zal doen, dat de Iraanse autoriteiten daarom niet op de hoogte zullen raken van zijn afvalligheid en dat eiser daarom geen problemen te duchten heeft van die autoriteiten. De tussenuitspraak bood verweerder echter geen ruimte om over de wijze van uiting van de afvalligheid in Iran en de verwachtingen daaromtrent een nader standpunt in te nemen. Dat is binnen het bestek van deze procedure een gepasseerd station. In overwegingen 3.3. en 3.6. van de tussenuitspraak is namelijk overwogen dat van eiser niet verlangd mag worden dat hij op het vliegveld in Iran tegenover de autoriteiten zal liegen over zijn afvalligheid en dat van hem ook niet verlangd mag worden dat hij zich bij het uiten van zijn afvalligheid inhoudt zoals hij voorheen in Iran heeft gedaan. En in overwegingen 3.4 en 3.7. van de tussenuitspraak is vervolgens overwogen dat uitgaande van wel gerechtvaardigde verwachtingen het zeer wel mogelijk is dat de autoriteiten op het vliegveld en/of daarbuiten bekend raken met eisers afvalligheid. De rechtbank ziet geen aanleiding van deze oordelen in de tussenuitspraak terug te komen omdat er geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat daartoe aanleiding geeft. Nu dus geen juiste uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak, zijn de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit met het aanvullend besluit niet hersteld en blijven de gebreken dus bestaan.
3. De tweede reden voor vernietiging van de besluiten is gelegen in de actuele situatie in Iran. De huidige situatie in Iran kan verweerder niet zijn ontgaan en gelet op de ex-nunc toetsing van artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000 moet die situatie bij de beoordeling van deze zaak worden betrokken. Uit het algemeen Ambtsbericht inzake Iran van september 2023 volgt al dat Iraniërs die na een langer verblijf in het Westen, en met een laisser-passer, terugkeren naar Iran een grote kans hebben om op het vliegveld te worden ondervraagd door de Iraanse autoriteiten over hun verblijf in het buitenland. Ook staat daarin dat als de Iraanse autoriteiten erachter komen dat een Iraniër in het Westen een asielaanvraag heeft ingediend, dit het risico op problemen aanzienlijk verhoogt, omdat de Iraanse autoriteiten dan kunnen denken dat die vreemdeling iets in Iran heeft gedaan wat niet mag, zoals afvallig zijn. Hieruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten reeds ten tijde van het Ambtsbericht uit september 2023 behoorlijk achterdochtig waren jegens Iraniërs die terugkeerden na een langer verblijf in het Westen. Die achterdocht tegen deze groep zal door de recente gebeurtenissen in Iran, waaronder de grootschalige protesten tegen het regime, alleen maar zijn toegenomen. Hoewel de informatieverstrekking beperkt is, blijkt uit berichten in nationale en internationale media dat de verhoudingen tussen Iran en het Westen flink op scherp staan; Iran beschuldigt het Westen ervan de demonstranten te hebben aangespoord, in het Westen vinden grote demonstraties plaats tegen het Iraanse regime en de EU heeft de Revolutionaire Garde op de terrorismelijst geplaatst. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten Iraniërs die nu terugkeren naar Iran na een langer verblijf in het Westen meer dan voorheen verdacht vinden en zien als een mogelijke bedreiging voor het regime. Gelet hierop en nu uit berichten in nationale en internationale media ook blijkt dat de Iraanse autoriteiten niet terugdeinzen voor massale arrestaties en grootschalige geweldsplegingen tegen hun eigen volk, ligt het op de weg van verweerder, in het kader van de samenwerkingsplicht, om te onderzoeken hoe de Iraanse autoriteiten op dit moment aankijken tegen en omgaan met Iraniërs die terugkeren na een langer verblijf in het Westen en om de twijfel weg te nemen dat deze groep bij terugkeer naar Iran te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade enkel als gevolg van hun verblijf in het Westen. Dergelijk onderzoek heeft verweerder niet verricht. Verweerder heeft ook niet om aanhouding verzocht om dergelijk onderzoek te kunnen verrichten. Gelet hierop heeft verweerder binnen het bestek van deze procedure niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Iran geen risico loopt op asielwaardige problemen met de Iraanse autoriteiten vanwege zijn lange verblijf in Nederland.
4. Het beroep is dus gegrond en de besluiten zullen worden vernietigd. De rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten kunnen niet in stand worden gelaten en de rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien. Er bestaat ook geen aanleiding voor het opnieuw toepassen van een bestuurlijke lus. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag. Daarin dient verweerder op basis van de huidige stand van zaken een geloofwaardigheidsbeoordeling te maken ten aanzien van de bekering van eiser en een risico-inschatting te maken ten aanzien van de geloofwaardige afvalligheid en de terugkeer vanuit het Westen, tegen de achtergrond van de actuele situatie en gebeurtenissen in Iran. De rechtbank begrijpt dat het enige tijd zal kosten om duidelijk te krijgen wat de gevolgen van de huidige situatie in Iran voor terugkeerders zijn. Daarom geeft de rechtbank verweerder een termijn van 12 weken voor het nemen van een nieuw besluit. Dat moet voldoende zijn om daarover duidelijkheid te verkrijgen.
5. Verweerder moet de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank kent 3,5 procespunten toe: 1 voor het beroepschrift, 1 voor de eerste zitting, 0,5 voor de zienswijze op het aanvullend besluit, en 1 voor deze zitting. De wegingsfactor is 1 en het bedrag per punt is € 934,-. Dit leidt tot een proceskostenveroordeling van € 3.269,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026 door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.