ECLI:NL:RBDHA:2026:20713
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak
Verzoeker, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 17 juni 2025 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister zich niet verzette tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Gezien het ontbreken van geschil over het feit dat uitzetting moet worden afgezien tijdens de bezwaarprocedure, werd het verzoek als kennelijk gegrond beschouwd. De uitzetting werd daarom verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken na beslissing op bezwaar.