ECLI:NL:RBDHA:2026:20713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL25.27381
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoeker, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 17 juni 2025 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister zich niet verzette tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Gezien het ontbreken van geschil over het feit dat uitzetting moet worden afgezien tijdens de bezwaarprocedure, werd het verzoek als kennelijk gegrond beschouwd. De uitzetting werd daarom verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.27381
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1985, van Nigeriaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 17 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning afgewezen. Op 19 juni 2025 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

3. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.
4. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Op 16 juli 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
7. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb [2] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.