ECLI:NL:RBDHA:2026:20714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.7449
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoekster, van Ghanese nationaliteit, had een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 13 januari 2026 werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister zich niet verzette tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Gezien de belangen en de bezwaarprocedure werd het verzoek als kennelijk gegrond beschouwd. De uitzetting van verzoekster werd daarom verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt de minister om verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.7449
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1943, van Ghanese nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. L.T.M. Hooijmans),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning afgewezen. Op 10 februari 2026 heeft verzoekster tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij niet wordt uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

3. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.
4. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5. Op 20 juli 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoekster moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
7. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb [2] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Besluit proceskosten bestuursrecht.