ECLI:NL:RBDHA:2026:20716
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en overdracht naar Oostenrijk ongegrond verklaard
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, was in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had reeds eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek bevestigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de minister voldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht van eiser naar Oostenrijk. De minister had de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk was. De minister wachtte de rechtsmiddelentermijn van één week af, die zonder beroep verstreek, en informeerde de gemachtigde van eiser tijdig over de geplande overdracht.
De rechtbank stelde vast dat de minister binnen de termijn van vijf weken, zoals voorgeschreven in artikel 45, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, handelde. De minister was bovendien afhankelijk van de aankondigingstermijn van Oostenrijk. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gewerkt en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
De uitspraak werd gedaan door rechter P.L.C.M. Ficq en griffier B.S. Beens. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.