ECLI:NL:RBDHA:2026:20721

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706915
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:272 BWArt. 7:274 BWWoningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning voor renovatie en toevoeging studentenkamers toegewezen

Duwo, een stichting voor studentenhuisvesting, vordert in kort geding de ontruiming van een huurwoning die deel uitmaakt van een appartementencomplex in Delft. Het complex wordt gerenoveerd om 160 extra studentenkamers te realiseren, waarbij de zelfstandige driekamerwoningen verdwijnen. Duwo heeft de huurders, waaronder [gedaagden] c.s., passende vervangende woningen aangeboden, maar zij weigeren te vertrekken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat Duwo een spoedeisend belang heeft vanwege de financiële schade door leegstand en vertraging van de renovatie. De omgevingsvergunning is verkregen en de aannemingsovereenkomst is gesloten, waarbij de start van de werkzaamheden binnen vier maanden na een bruikbare vergunning ligt. Het belang van Duwo bij renovatie en uitbreiding met betaalbare studentenkamers weegt zwaarder dan het belang van de huurders bij behoud van hun woning.

De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat er voldoende passende vervangende woonruimte beschikbaar is, mede gezien het aanbod van drie sociale huurwoningen nabij de huidige woning. De bezwaren van [gedaagden] c.s. over de kleinere woonruimte en hogere huurprijs worden onvoldoende concreet onderbouwd. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vordering, met een ontruimingsdatum vastgesteld op 4 oktober 2026. De proceskosten worden aan [gedaagden] c.s. opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de huurwoning wordt toegewezen met ontruimingsdatum 4 oktober 2026 onder voorwaarde van passend woningaanbod.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/706915 / KG ZA 26-636
Vonnis in kort geding van 27 juli 2026
in de zaak van
STICHTING DUWO,
te Delft,
eisende partij,
hierna te noemen: Duwo,
advocaat: mr. T.A. Nieuwenhuijsen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
advocaten: mr. M.A.R. Schuckink Kool en mr. E.M. Prins,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juli 2026 met producties 1 tot en met 10;
- de door Duwo overgelegde aanvullende producties 11 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord van 9 juli 2026;
- de op 13 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door Duwo en [gedaagden] c.s. spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Duwo is een stichting die zich richt op de huisvesting van studenten. Zij is eigenaar van een appartementencomplex dat is gelegen aan de [adres 1] te Delft (hierna: het complex). Dat complex bestaat uit 457 woningen. Achttien van die woningen zijn een zelfstandig driekamerappartement. Van die achttien woningen worden er nog acht door reguliere huurders bewoond. Alle overige woningen in het gehele complex worden kamergewijs aan studenten verhuurd.
2.2.
Sinds 26 februari 1996 huurt de heer [gedaagde 1] van Duwo de woning aan de [adres 2] (hierna: de woning). Op enig moment is mevrouw [gedaagde 2] als echtgenote van de heer [gedaagde 1] wettelijk medehuurder van de woning geworden.
2.3.
Duwo stuurt in oktober 2025 een informatieboekje met sociaal plan aan haar huurders over haar voornemen om het complex te renoveren. Daarbij geeft zij aan de huurders van de zelfstandige driekamerappartementen aan dat hun woningen zullen verdwijnen, omdat daar per woning vier onzelfstandige studentenkamers van worden gemaakt.
2.4.
Op enig moment heeft Duwo aan haar huurders in het complex bericht dat ruim 70% van hen met haar voorstel heeft ingestemd. Vervolgens heeft zij per brieven van 11 december 2025 en 19 januari 2026 de huurovereenkomst met [gedaagden] c.s. opgezegd.
2.5.
Tussen Duwo en [gedaagden] c.s. heeft van 1 oktober 2025 tot en met 4 mei 2026 e-mailcorrespondentie plaatsgevonden over, kort gezegd, het aanbieden van drie huurwoningen en twee koopwoningen van Duwo aan [gedaagden] c.s. Zij hebben die aanbiedingen niet geaccepteerd.
2.6.
Op 1 juni 2026 heeft Duwo een omgevingsvergunning van de gemeente Delft ontvangen voor de renovatie van het complex.
2.7.
Duwo heeft op 9 juni 2026 een aannemingsovereenkomst gesloten met Dura Vermeer Heyma B.V. voor de renovatie van het complex. In die overeenkomst staat, voor zover hier van belang, onder meer het volgende:
“6.1 De aanvang van het Werk, dat wil feitelijk zegge het starten van het sloopwerk, wordt door Partijen vastgesteld op de datum die 4 maanden gelegen is na de dag waarop de in artikel 16 genoemde Pro opschortende voorwaarden zijn vervuld (hierna: “Start Bouw”). Het is Opdrachtgever die bedoelde datum schriftelijk zal bevestigen en aldus vaststellen.
(…)
16.1
De bepalingen van deze aannemingsovereenkomst treden eerst in werking nadat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
a. aan Opdrachtgever is een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen (dan wel enige andere voor de opzet van het Werk benodigde onherroepelijke vergunning of overheidsgoedkeuring) verleend, waarmee een naar het enkele oordeel van Opdrachtgever bruikbare omgevingsvergunning/vergunning/overheidsgoedkeuring wordt gelijkgesteld”
2.8.
Per e-mail van 10 juni 2026 heeft Duwo haar schema over het uithuizen van de huurders met haar advocaat gedeeld. In dat schema is opgenomen dat de eerste verdiepingen uithuizen in de week vanaf 3 augustus 2026 en de laatste verdiepingen uithuizen in de week van 28 september tot en met 4 oktober 2026.

3.Het geschil

3.1.
Duwo vordert samengevat - ontruiming van de woning op uiterlijk 31 augustus 2026, onder de voorwaarde dat Duwo uiterlijk 14 dagen voor de ontruimingsdatum een driekamer huurwoning gelegen in Delft aan [gedaagden] c.s. te huur heeft aangeboden.
3.2.
Daartoe voert Duwo – samengevat – het volgende aan. Duwo wenst het complex waarvan de woning deel uitmaakt te renoveren. Daarbij wil zij de indeling van het complex ook zodanig wijzigen dat er 160 extra studentenkamers worden gerealiseerd. Dat betekent dat de in het complex aanwezige achttien zelfstandige driekamerwoningen, waaronder de woning, tot onzelfstandige wooneenheden worden omgebouwd en [gedaagden] c.s. daar niet naar kunnen terugkeren. Zij heeft aan [gedaagden] c.s. drie sociale huurwoningen te huur aangeboden, maar [gedaagden] c.s. weigert om de woning te verlaten. Aangezien met alle andere huurders van het complex overeenstemming is bereikt, wordt de renovatie alleen door de aanwezigheid van [gedaagden] c.s. belemmerd. Vertraging van de renovatie leidt tot forse schade bij Duwo.
3.3.
[gedaagden] c.s. voeren verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling

Spoedeisendheid
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of Duwo ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Duwo stelt dat zij een spoedeisend belang heeft, omdat er met alle andere huurders overeenstemming is bereikt over verhuizing uit het complex. Als [gedaagden] c.s. niet uit de woning vertrekken, dan staat de rest van het complex dus leeg. De leegstandskosten worden door Duwo berekend op € 160.000,- per maand. Daarnaast stelt zij dat de indexatie van de aanneemsom per uitgestelde maand haar € 130.000,- zal kosten. Aangezien de uithuizing van de woning in de week van 31 augustus is gepland en de mondelinge behandeling in de bodemprocedure pas op 19 november 2026 is, kan Duwo die mondelinge behandeling niet afwachten.
4.2.
Volgens [gedaagden] c.s. wist Duwo al lange tijd van haar renovatieplannen, van de omstandigheid dat zij de woning niet wilden verlaten en dat een bodemprocedure tijd in beslag zal nemen. Duwo had dus eerder de bodemprocedure kunnen starten, zodat in die omstandigheden geen sprake is van een situatie die een vergaande voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verder stellen zij zich op het standpunt dat uit de door Duwo gesloten aannemingsovereenkomst een termijn voor de start van de werkzaamheden volgt van vier maanden na het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning. Aangezien de dag van de mondelinge behandeling in deze procedure de laatste dag van de termijn is voor het indienen van bezwaren tegen die omgevingsvergunning, staat nog niet vast dat die vergunning onherroepelijk is. Daarmee staat dus ook de termijn voor de aanvang van het werk niet vast.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat Duwo onweersproken heeft gesteld dat met alle andere huurders in het complex afspraken zijn gemaakt over de verhuizing en dat de leegstand haar per maand een bedrag van € 290.000,- zal kosten. Daarmee heeft Duwo voldoende onderbouwd dat zij een zwaarwegend belang heeft en de mondelinge behandeling van de bodemprocedure op 19 november 2026 niet kan afwachten. De voorzieningenrechter overweegt verder dat uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat Duwo van oktober 2025 tot en met 29 april 2026 aanbiedingen voor twee koop- en drie huurwoningen aan [gedaagden] c.s. heeft gedaan. Duwo heeft dus geprobeerd om in onderling overleg met [gedaagden] c.s. tot een oplossing te komen. De voorzieningenrechter acht dat een redelijke opstelling van Duwo die de voorkeur heeft boven het snel starten van een procedure tegen [gedaagden] c.s. Het verweer van [gedaagden] c.s. dat Duwo eerder een procedure had moeten starten wordt daarom verworpen.
4.4.
Met betrekking tot het verweer van [gedaagden] c.s. dat de termijn voor de start van de werkzaamheden nog onzeker is, heeft Duwo ter zitting verklaard dat een onherroepelijke omgevingsvergunning niet is vereist. In de aannemingsovereenkomst is namelijk opgenomen dat als Duwo zich tegen de aannemer op het standpunt stelt dat de omgevingsvergunning bruikbaar is, dat met een onherroepelijke omgevingsvergunning wordt gelijkgesteld. Duwo heeft geen bezwaren ontvangen en zij verwacht die op de laatste dag van de termijn ook niet, omdat het om een renovatie en niet om nieuwbouw gaat en er ook geen bezwaren zijn ingediend tegen het al eerder door Duwo gerenoveerde naastgelegen complex.
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat in de aannemingsovereenkomst is opgenomen dat de start van het sloopwerk wordt vastgesteld op de datum van vier maanden na het verkrijgen van een onherroepelijke vergunning, waarmee wordt gelijkgesteld een vergunning die door Duwo als bruikbaar wordt beoordeeld. Aangezien die beoordeling volledig aan Duwo is, bepaalt Duwo dus de start van de termijn. Daarbij heeft Duwo aangegeven dat er haar, mede vanwege de financiële belangen, veel aan is gelegen om zelfs bij onverhoopte bezwaren op de laatste dag van de termijn de omgevingsvergunning als bruikbaar te beoordelen en de aannemer op de dag na de mondelinge behandeling in deze procedure te berichten dat de termijn start. In die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende zeker is dat de termijn van vier maanden voor de start van het sloopwerk op de dag na de mondelinge behandeling zal beginnen. Ook dat verweer van [gedaagden] c.s. slaagt dus niet. Dat betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat Duwo bij haar vordering een spoedeisend belang heeft en die vordering inhoudelijk moet worden beoordeeld.
Toetsingskader
4.6.
Voor toewijzing van een voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vordering in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Het gaat hier dan ook om een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.7.
De voorzieningenrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Dringend eigen gebruik
4.8.
Op grond van artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro kan een verhuurder de huurovereenkomst opzeggen wanneer hij aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en ook blijkt dat de huurder andere passende woonruimte kan verkrijgen. Volgens lid 3 van dit artikel wordt onder eigen gebruik in de zin van lid 1 onder c, mede begrepen renovatie van woonruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is.
4.9.
Volgens Duwo is er sprake van dringend eigen gebruik, omdat zij het complex wil verbeteren en verduurzamen en 160 betaalbare studentenkamers aan de woningvoorraad in Delft wil toevoegen. [gedaagden] c.s. betwisten dat er sprake is van dringend eigen gebruik. Volgens hen is het complex in 1986 nog ingrijpend verbouwd en weegt het algemene studentenbeleid van Duwo niet op tegen het belang van langdurige huurders bij betaalde reguliere woonruimte.
4.10.
De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagden] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd waarom een verbouwing van 40 jaar geleden betekent dat het complex nu niet hoeft te worden verbeterd en verduurzaamd. Verder neemt de voorzieningenrechter mee dat Duwo een toegelaten instelling als bedoeld in de Woningwet is, zij zich richt op de verhuur van studentenkamers en zij met de renovatie beoogd om 160 studentenkamers aan het complex toe te voegen. Duwo heeft onweersproken gesteld dat de huisvestingsnood in Delft om meer studentenkamers vraagt. Daarmee dient de renovatie naar het oordeel van de voorzieningenrechter in belangrijke mate een volkshuisvestelijk doel, [1] zodat dringend eigen gebruik door Duwo aanwezig is, althans dat voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter tot dat oordeel zal komen.
Passende vervangende woonruimte
4.11.
Onderdeel van een rechtsgeldige opzegging vanwege dringend eigen gebruik is dat moet blijken dat voor [gedaagden] c.s. andere passende woonruimte beschikbaar is. Volgens Duwo blijkt uit haar aanbod van drie huur- en twee koopwoningen dat er voldoende andere passende woonruimte beschikbaar is. Ter zitting heeft zij ook nog een huurwoning aangeboden die (in ieder geval) tijdelijk door [gedaagden] c.s. kan worden bewoond. [gedaagden] c.s. betwisten dat die huurwoningen passend zijn, omdat zij fors veel ruimte moeten inleveren en meer moeten betalen dan hun huidige huurprijs. Daarbij heeft de heer [gedaagde 1] ter zitting verklaard dat de huidige huurprijs voor hen een veilig situatie is en zij met een huurprijs in de vrije sector mogelijk in de financiële problemen komen. Volgens hen is een koopwoning geen reële mogelijkheid, omdat zij vanwege hun leeftijd een hypotheek in een korte tijd moeten aflossen.
4.12.
De voorzieningenrechter overweegt dat niet hoeft te blijken dat voor [gedaagden] c.s. soortgelijke woonruimte als de woning beschikbaar is. Ook een woonruimte die in grootte, ligging of anderszins een wezenlijk ander woongenot biedt kan passend zijn. Bij de beoordeling of er andere passende woonruimte beschikbaar is zijn onder meer de persoonlijke omstandigheden van [gedaagden] c.s. en de marktsituatie ter plaatse van belang. Bij die beoordeling mag ook worden meegewogen wat [gedaagden] c.s. zelf hebben gedaan om andere woonruimte te vinden.
4.13.
[gedaagden] c.s. hebben benadrukt dat een aanzienlijk hogere huurprijs voor hen snel financiële problemen kan veroorzaken, omdat hun inkomen maar net boven de sociale huurgrens ligt en hun inkomen wisselend kan zijn. In dat kader acht de voorzieningenrechter van belang dat Duwo drie sociale huurwoningen aan [gedaagden] c.s. heeft aangeboden die in de nabije omgeving van de huidige woning liggen. Daarmee komt Duwo hen tegemoet, omdat zij en andere verhuurders gelet op het inkomen van [gedaagden] c.s. niet verplicht zijn om [gedaagden] c.s. sociale huurwoningen aan te bieden. Die woningen wisselen tussen de 60 en 65 m². Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat [gedaagden] c.s. dat een forse vermindering van woonruimte vinden ten opzichte van hun huidige woonruimte van 90 m², kunnen zij redelijkerwijs niet van Duwo verlangen dat zij aan hen een woning met een vergelijkbare ruimte aanbiedt zonder dat de huurprijs teveel stijgt. De huidige huurprijs van ongeveer € 650,- per maand die [gedaagden] c.s. betalen is tijdens de huurperiode van 30 jaar in vergelijking met de markthuur namelijk veel minder hard gestegen. Dat betekent dat een marktconforme huur voor een woning met een vergelijkbare grootte inmiddels aanzienlijk hoger ligt. Aangezien [gedaagden] c.s. juist hebben benadrukt dat een betaalbare huurprijs voor hen van groot belang is, heeft Duwo een begrijpelijke afweging gemaakt om dan betaalbare, maar een stuk kleinere woningen aan hen aan te bieden.
4.14.
Dat die kleinere woningen voor [gedaagden] c.s. niet passend zijn hebben zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concreet onderbouwd. Zij verblijven namelijk maar met zijn tweeën in de woning. Hun verweer ter zitting dat zij hun huidige inrichting daarop moeten aanpassen acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de aangeboden woningen niet passend zijn, mede gelet op de verhuisvergoeding van € 7.673,- die [gedaagden] c.s. van Duwo krijgen. Ook hebben [gedaagden] c.s. onvoldoende gemotiveerd waarom hun woning per se een aparte werkruimte voor de heer [gedaagde 1] moet hebben en dat een dergelijke werkplek niet in de aangeboden woningen kan worden gemaakt.
4.15.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat [gedaagden] c.s. ter zitting hebben verklaard dat zij via Woonnet een huurwoning konden huren, maar ook die hebben afgewezen omdat zij die te klein vonden. Verder is niet gebleken dat [gedaagden] c.s. zelf naar andere huurwoningen hebben gezocht. Mede gelet op de zwaarwegende belangen van Duwo en de door haar aangeboden sociale huurwoningen, had van [gedaagden] c.s. wel meer inspanning naar het zoeken voor een passende andere woning mogen worden verwacht.
4.16.
Al het voorgaande in samenhang bezien komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat er voldoende vervangende passende woonruimte voor [gedaagden] c.s. aanwezig is.
4.17.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat bij het hiervoor genoemde oordeel de sociale huurwoning die Duwo ter zitting nog aan [gedaagden] c.s. heeft aangeboden in het kader van het voorwaardelijke deel van haar vordering niet is meegenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden al voldoende aannemelijk dat er voldoende passende andere woonruimte beschikbaar is. Het verweer van [gedaagden] c.s. dat toewijzing van de vordering inclusief het voorwaardelijk deel tot executieproblemen zal leiden wordt om die reden verworpen.
Belangenafweging
4.18.
Voor toewijzing van de vordering van Duwo is verder vereist dat haar belangen bij toewijzing zwaarder wegen dan die van [gedaagden] c.s. bij afwijzing daarvan. Los van de belangen die hiervoor bij het dringend eigen gebruik en de beschikbaarheid van andere passende woonruimte zijn genoemd, betwisten [gedaagden] c.s. dat het belang van Duwo zwaarder weegt dan dat van hun. Volgens [gedaagden] c.s. weegt hun belang zwaarder, omdat zij al dertig jaar in de woning wonen en hun sociale en maatschappelijke leven rondom het gehuurde hebben ingericht. Zij betwisten dat het belang voor studenten om te wonen zwaarder weegt dan het belang van het behoud van reguliere betaalbare woonruimte voor langdurige huurders.
4.19.
De voorzieningenrechter overweegt dat de huurwoningen die Duwo aan [gedaagden] c.s. heeft aangeboden alle drie in de buurt van hun huidige woning liggen. [gedaagden] c.s. hebben onvoldoende concreet onderbouwd waarom zij niet naar een van die andere woningen kunnen verhuizen voor hun sociale en werkende leven. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat door de voorgenomen renovatie maar liefst 160 extra studentenkamers in het complex zullen worden gerealiseerd. Dat is een forse toename van het woningaanbod en is een zwaarwegend belang aan de zijde van Duwo. Dat een kleine afname van het aantal zelfstandige sociale huurwoningen in het complex daar het gevolg van is, maakt niet dat het belang van [gedaagden] c.s. zwaarder weegt.
4.20.
Mede gelet op de omstandigheden die bij het dringend eigen gebruik en de beschikbaarheid van andere passende woonruimte is overwogen, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat ook de belangenafweging in het voordeel van Duwo uitvalt. Daarmee komt de voorzieningenrechter dus tot het oordeel dat het, met inachtneming van de vereiste grote terughoudendheid, voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter de vordering van Duwo zal toewijzen. Daarom zal de voorzieningenrechter de vordering van Duwo toewijzen. De voorzieningenrechter zal de ontruimingsdatum echter wel op een latere datum bepalen. [gedaagden] c.s. hebben namelijk betwist dat Duwo beheerproblemen zal ondervinden die zodanig zijn dat [gedaagden] c.s. niet tot de laatste week van het uithuizen in de woning kunnen verblijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Duwo onvoldoende concreet onderbouwd waarom van haar niet kan worden verlangd dat [gedaagden] c.s. tot de laatste week van het uithuizen in de woning kunnen verblijven. De voorzieningenrechter bepaalt de ontruimingsdatum daarom op de laatste dag van het uithuizen. Dat is 4 oktober 2026.
4.21.
Met betrekking tot het voorwaardelijke deel merkt de voorzieningenrechter nog op dat Duwo daar met het ter zitting gedane aanbod van de huur van de woning aan het [adres 3] te Delft al aan heeft voldaan, mits zij dat aanbod gestand doet voor de periode tot en met de ontruimingsdatum en [gedaagden] c.s. die woning direct na het uithuizen kunnen betrekken.
Proceskosten
4.22.
[gedaagden] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Duwo worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
154,09
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.838,09
Uitvoerbaar bij voorraad
4.23.
Uit artikel 7:272 lid 1 BW Pro volgt dat als een huurder niet instemt met de opzegging, een opgezegde huurovereenkomst van kracht blijft tot de rechter onherroepelijk heeft beslist op een vordering van de verhuurder om het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst eindigt. Dit artikel staat dus in beginsel in de weg aan een uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dit vonnis. Gelet op de zwaarwegende belangen aan de zijde van Duwo en de spoedeisendheid daarvan, de beschikbaarheid van vervangende passende woonruimte en de belangenafweging, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in deze situatie de ratio van de wettelijke huurbescherming met betrekking tot woonruimte niet meebrengt dat met de uitvoering van dit vonnis zou moeten worden gewacht totdat het onherroepelijk is. Het bepaalde in artikel 7:272 lid 1 BW Pro staat in dit geval dan ook niet in de weg aan een uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Het vonnis mag meteen worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] c.s. om na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 2] te Delft uiterlijk op 4 oktober 2026 te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Duwo zijn, en de sleutels af te geven aan Duwo, onder de voorwaarde dat Duwo uiterlijk 14 dagen voor die ontruimingsdatum een driekamer huurwoning gelegen in Delft aan [gedaagden] c.s. te huur heeft aangeboden;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.838,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:931.