ECLI:NL:RBDHA:2026:20749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_19648
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b lid 1 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 31 lid 6 Vw 2000Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek en onvoldoende onderzoek

Eiser, van Belarussische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de activiteiten die eiser in Nederland heeft verricht, wat essentieel is voor de beoordeling van het risico bij terugkeer naar Belarus.

De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet tot het risicoprofiel behoort en onvoldoende heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek en de minister heeft nagelaten eiser hierover te horen.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens motiveringsgebrek en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen binnen 12 weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19648

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Imminga),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Onvoldoende duidelijk is welke activiteiten eiser precies heeft verricht in Nederland. Dat is wel noodzakelijk om te kunnen beoordelen welk risico eiser loopt bij terugkeer naar Belarus. De minister moet eiser hierover horen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat wat er aan het bestreden besluit voorafging. Onder 4 wordt het bestreden besluit kort weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Belarussische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en N.O. Kievit-Gounina als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat er aan het bestreden besluit voorafging
3. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend, op 7 augustus 2014 en op 22 april 2022. Die aanvragen hebben er niet toe geleid dat een asielvergunning is verleend. De aanvraag van 22 april 2022 is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vw omdat – kort weergegeven – niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser staat op een lijst van de Belarussische autoriteiten, sinds 2014 politieke activiteiten heeft verricht, problemen heeft ondervonden na zijn terugkeer in Belarus in 2014, problemen heeft gehad met de autoriteiten na zijn terugkeer in 2014, is gearresteerd en veroordeeld voor drugsbezit en vanaf januari 2019 problemen heeft. Op 22 november 2023 heeft eiser voor de derde keer een asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. politiek gerelateerde activiteiten in Nederland;
3. er zijn huiszoekingen gedaan in het ouderlijk huis op 3 juli 2023 en 8 november 2024.
De minister vindt motief 3 ongeloofwaardig. De motieven 1 en 2 vindt de minister wel geloofwaardig maar de vrees is niet aannemelijk zodat er geen grond bestaat om een asielvergunning te verlenen.
De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw omdat de opvolgende aanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Eiser krijgt geen nieuw terugkeerbesluit omdat het terugkeerbesluit dat in de eerdere procedure is opgelegd nog geldig is. Wel krijgt eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaar.
Over het onderscheiden van een vierde asielmotief
5. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte niet een vierde asielmotief heeft onderscheiden, namelijk, het zijn van opposant in Belarus. Oppositieleden lopen gevaar, zoals ook uit de algemene informatie volgt.
6. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Het zijn van opposant is in geval van eiser volledig gebaseerd op de activiteiten die hij in Nederland heeft verricht, zo heeft hij ter zitting ook bevestigd. De activiteiten die hij in Belarus stelt te hebben verricht zijn in de vorige procedure immers ongeloofwaardig geacht en staat in rechte vast. De activiteiten vallen daarmee onder motief 2 en er bestond voor de minister dan ook geen aanleiding om dit als een apart motief te benoemen.
Over asielmotief 3
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit motief niet geloofwaardig is. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd die dit asielmotief volledig onderbouwen.
De minister heeft daarom kunnen beoordelen of eiser voldoet aan de voorwaarden die worden genoemd in artikel 31, zesde lid, van de Vw en zich op het standpunt kunnen stellen dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd onder b en c.
Eiser heeft de gestelde huiszoeking op 3 juli 2023 immers met summiere documentatie onderbouwd en daar geen goede verklaring voor gegeven (voorwaarde onder b). Eiser heeft namelijk enkel een screenshot van een gesprek met zijn moeder waarin zij spreekt over een huiszoeking, maar specifieke informatie over die huiszoeking ontbreekt. Eiser had daar navraag naar kunnen doen.
Van het huiszoekingsbevel dat zou hebben geleid tot de huiszoeking op 8 november 2024 heeft eiser alleen een kopie (plus vertaling) overgelegd. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het bevel geen reden voor de huiszoeking wordt genoemd en dat het bevel het relaas in zoverre dan ook niet ondersteund. Dat het niet gebruikelijk zou zijn om de reden te vermelden, wat eiser in beroep heeft betoogd, heeft eiser op geen enkele wijze nader onderbouwd. Maar ook als dat wel zo zou zijn, doet dat er niet aan af dat het bevel in zoverre het relaas van eiser niet ondersteunt.
De minister heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over dit motief geen samenhangend geheel vormen (voorwaarde onder c). Dat uit algemene informatie volgt dat huiszoekingen plaatsvinden bij opposanten of personen die een van de autoriteiten afwijkende mening verkondigen, is, in het licht van de verklaringen van eiser over de huiszoeking die minister ongerijmd heeft gevonden, onvoldoende om aan die ongerijmdheid van eisers verklaringen voorbij te kunnen gaan.
Over asielmotief 2
8. De minister heeft dit motief geloofwaardig geacht. Uit de besluitvorming [2] volgt dat de minister in dit kader in ieder geval geloofwaardig acht dat eiser heeft deelgenomen aan verschillende demonstraties tegen de Belarussische autoriteiten en tegen de oorlog in Oekraïne. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zijn activiteiten in Nederland geloofwaardig worden geacht, de deelname aan protesten en het feit dat hij tijdens die protesten heeft gesproken. Ook is, zo heeft de minister ter zitting gesteld, geloofwaardig dat er foto’s waarop eiser staat op sociale media zijn gepost, maar eiser is zelf geen opposant of activist, het risicoprofiel dat voor Belarus geldt is dus niet aan de orde. De minister vindt ook geloofwaardig dat de foto die eiser in beroep heeft overgelegd waarop hij is afgebeeld samen met oppositieleider [naam 1] is geplaatst op de Instagrampagina van [naam 1] en op de (publiek toegankelijke) website van [naam 2] [3] . Maar in het besluit is al geoordeeld dat niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat en de overgelegde foto en plaatsing daarvan op Instagram en internet maken dat volgens de minister niet anders.
9. In het landenbeleid Belarus [4] zijn oppositieleden, politieke activisten, journalisten en mensenrechtenactivisten aangemerkt als risicoprofiel in de zin van C2/2.4 Vc. Het individualiseringsvereiste blijft gelden.
10. In het meest recente algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Belarus, dat van 2021, waarnaar de minister ook heeft verwezen, staat dat politieke activisten, maar ook mensen die minder politiek actief zijn, sinds 2020 werden vervolgd in Belarus. Een kritische uiting of deelname aan protesten was voldoende aanleiding voor vervolging, omdat bijna alle kritische uitingen als politiek opgevat werden door de autoriteiten. Na de presidentsverkiezingen in augustus 2020 nam de repressie, ook tegen mensen die incidenteel hadden deelgenomen aan politieke acties zoals demonstraties, sterk toe. Mensen die openlijk vraagtekens zette bij het narratief van de overheid of die aangaven niet volledig eens te zijn met de autoriteiten werden systematisch onderdrukt en strafrechtelijk dan wel administratiefrechtelijk vervolgd. [5] Het kwam voor dat mensen niet onmiddellijk na een demonstratie, maar pas op een later moment werden aangehouden. De politie zou volgens meerdere bronnen beeldopnames hebben gemaakt van demonstranten en hen vervolgens in een database hebben gezet. Met behulp van gezichtsherkennings-technologie kunnen deze mensen op een later moment opgepakt worden wegens deelname aan de protesten. [6] Niet is bekend of het plaatsen van kritische uitingen vanuit het buitenland anders wordt gestraft dan het plaatsen terwijl men zich in Belarus
bevindt. Gezien het wettelijk instrumentarium dat de autoriteiten tot hun beschikking hebben om procedures tegen ongewenste personen aan te spannen ligt het in de rede dat de plaats waar diegene zich op dat moment ophield, geen verschil maakt voor de strafbaarheid van een geplaatste uiting. Het is evenmin bekend of de onlineactiviteiten van Belarussen in Nederland worden gemonitord door de Belarussische autoriteiten. [7]
11. De rechtbank stelt vast dat het ambtsbericht weliswaar enkele jaren oud is maar dat de minister niet heeft gesteld dat wat daarin is opgenomen inmiddels is achterhaald. De rechtbank is verder van oordeel dat de algemene informatie waar eiser naar heeft verwezen, onder andere van de Belarussische mensenrechtenorganisatie Viasna [8] en van het US State Department [9] , beide van recentere datum dan het ambtsbericht, geen duidelijk ander beeld laten zien dan in het ambtsbericht is opgenomen en op punten zelfs duiden op meer repressie.
12. De rechtbank stelt voorop dat voor een goede inschatting van het risico dat eiser in Belarus loopt, het van belang is om duidelijk te weten welke activiteiten eiser wanneer heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat dat onvoldoende blijkt uit het nader gehoor. Eiser verklaart in algemene zin wel over activiteiten die hij heeft verricht, maar gedetailleerd zijn die verklaringen niet en ook is niet steeds duidelijk wanneer die activiteiten zijn verricht. Dat eiser niet onder het risicoprofiel valt, zoals de minister ter zitting heeft gesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden vastgesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat het in dit geval op de weg van de minister had gelegen om daarover door te vragen. Het is immers aan de minister om de hiervoor bedoelde beoordeling te maken. Het is weliswaar aan eiser om zijn vrees aannemelijk te maken, maar dat gaat in dit geval niet zover dat hij, zonder nadere vraagstelling van de minister, had moeten begrijpen dat hij daarover op voorbedoelde manier had moeten verklaren.
13. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd waarom eiser niet tot het risicoprofiel zou behoren en onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet is voldaan aan het individualiseringsvereiste. Dat, zoals de minister stelt, niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de autoriteiten van Belarus staat is, wat daar verder ook van zij, onvoldoende om aan het hiervoor geconstateerde gebrek in de besluitvorming voorbij te gaan.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de wet. Eiser is onvoldoende bevraagd [10] en het besluit dat op zijn aanvraag ziet is onvoldoende gemotiveerd. [11] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dat is immers aan de minister. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om de gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 12 weken.
14.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld, waarbij eiser voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling krijgen. De kosten bedragen € 1868,-. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
14.3.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2025;
- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Voornemen p.3.
3.Vereniging van Belarussen in Nederland.
4.C7/6.3.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.P. 28 e.v.
6.P. 32.
7.P.66.
8.Viasna, Criminal case initiated against Belarusians who took part in Freedom Day demonstrations around the world, 17 mei 2024.
9.US Department of State, 2023 Country Report on Human Rights Practices: Belarus.
10.Wat een gebrek is in de voorbereiding van het besluit, artikel 3:2 van Pro de Awb.
11.Artikel 3:46 van Pro de Awb.