ECLI:NL:RBDHA:2026:20766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
26.39758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 8 Vw 2000Art. 7.3 Vb 2000Art. 68 Procedureverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag

Eiser werd op 15 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, nadat zijn asielaanvraag op 13 juli 2026 als kennelijk ongegrond was afgewezen. De rechtbank stelde vast dat eiser procedureel rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, in afwachting van de beslissing op zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

De minister had de bewaring omgezet van artikel 59b naar artikel 59, omdat eiser volgens hem geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank oordeelde dat deze omzetting onjuist was, mede gelet op de Terugkeerrichtlijn en jurisprudentie van het Hof van Justitie EU, die bepalen dat een vreemdeling die beroep instelt tegen een kennelijk ongegrond verklaarde asielaanvraag niet op grond van artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld zolang het verzoek om voorlopige voorziening loopt.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring op 15 juli 2026 niet op de juiste wettelijke grondslag berustte en daarom onrechtmatig was. De bewaring werd opgeheven met ingang van 24 juli 2026. Tevens werd een schadevergoeding van €1.200,- toegekend voor 10 dagen onrechtmatige bewaring en werden proceskosten van €1.868,- aan eiser toegekend. De minister erkende dat eiser niet wezenlijk was geschaad, maar dit deed niet af aan de onrechtmatigheid van de bewaring.

Uitkomst: De rechtbank heft de onrechtmatige vreemdelingenbewaring op en kent een schadevergoeding en proceskosten toe aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39758

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 15 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft op 15 juli 2026 eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw 2000. Eiser verbleef direct voorafgaand in bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000.
3. De rechtbank stelt vast dat de door eiser op 25 juni 2026 ingediende (eerste) asielaanvraag van eiser bij besluit van 13 juli 2026 door de minister is afgewezen als kennelijk ongegrond. In dit meeromvattende besluit (hierna: het asielbesluit) – dat ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn omvat – is vermeld dat de rechtsmiddelentermijn een week is (tot en met 20 juli 2026), dat de uitspraak op het beroep niet in Nederland mag worden afgewacht en dat hangende genoemde termijn de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd kan worden, in welk kader geldt dat eiser tijdens de behandeling van dat verzoek niet mag worden verwijderd uit Nederland.
4. Eiser heeft op 20 juli 2026 beroep ingediend tegen het asielbesluit en diezelfde dag verzocht om een voorlopige voorziening.
5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de wettelijke grondslag voor de bewaring juist is.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser na het asielbesluit niet langer rechtmatig verblijf heeft, zodat de grondslag voor de bewaring terecht is omgezet naar een bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000. Het is slechts zo dat eiser tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet zal worden uitgezet, maar dat vormt geen grond voor rechtmatig verblijf. Dat is bepaald in artikel 7.3 van het Vb 2000, overeenkomstig artikel 68 lid 5 van Pro de Procedureverordening. Mocht op een later moment de voorzieningenrechter bepalen dat eiser het beroep mag afwachten, dan moet de bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000 worden opgeheven, al dan niet gevolgd door een hernieuwde inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Tijdens de bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000 werkt de minister aan de uitzetting van eiser; als daardoor de uitzetting concreet in zicht komt, dan zal de minister de voorzieningenrechter vragen om voorrang te geven aan het door eiser ingediende verzoek.
7. Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland in afwachting van de beslissing op een beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven.
8. Op grond van artikel 68, eerste lid, van de Procedureverordening worden de gevolgen van een terugkeerbesluit geschorst zolang een verzoeker op grond van dit artikel recht of toestemming heeft om te blijven. Artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening bepaalt dat verzoekers in beginsel géén recht hebben om te blijven indien hun aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard. Artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening bepaalt evenwel dat een rechterlijke instantie bevoegd is om te beslissen dat die verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte. Artikel 68, vijfde lid, van de Procedureverordening bepaalt verder voorwaarden die gelden voor de toepassing van lid 4, onder d. dat de verzoeker niet wordt verwijderd van het grondgebied tot de rechterlijke instantie heeft beslist of de verzoeker toestemming krijgt om zijn voorziening in rechte af te wachten.
9. In het geval van eiser is in het asielbesluit de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, zodat artikel 68 lid 2 van Pro de Procedureverordening niet aan de orde is. Zoals ter zitting aan partijen voorgehouden, levert dit de vraag op hoe om te gaan met de periode tussen het asielbesluit en de beslissing van de voorzieningenrechter op zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
10. In het arrest Gnandi (arrest van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/E) er niet aan in de weg staat dat ten aanzien van een derdelander die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend een terugkeerbesluit wordt genomen zodra dit verzoek is afgewezen, zonder daarvoor de uitkomst van een beroep tegen de afwijzing af te wachten. Voorwaarde daarbij is wel dat de betrokken lidstaat waarborgt dat het rechtsmiddel tegen het besluit ten volle doeltreffend is. Daarvoor is onder meer vereist dat alle gevolgen van het besluit worden geschorst gedurende de rechtsmiddelentermijn. In de beschikking C., J. en S. van 5 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:544) neemt het HvJ EU zijn overwegingen uit het arrest Gnandi als uitgangspunt en oordeelt dat deze ook van toepassing zijn wanneer het asielverzoek van een vreemdeling is afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij overweegt het HvJ EU dat uit het vijfde en zesde lid van artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU) volgt dat een vreemdeling in een dergelijk geval niet van rechtswege op het grondgebied van een lidstaat mag blijven in afwachting van de uitkomst van zijn rechtsmiddel. Het Hof wijst er daarna op dat die vreemdeling zich overeenkomstig het zesde lid wel moet kunnen wenden tot een rechterlijke instantie die zal beslissen of hij op het grondgebied van deze lidstaat mag blijven in afwachting van de uitkomst van zijn rechtsmiddel ten gronde. Ook overweegt het Hof dat uit het achtste lid van artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn volgt dat de betrokken lidstaat die vreemdeling moet toestaan op zijn grondgebied te blijven in afwachting van de uitkomst van de procedure om te bepalen of hij mag blijven in afwachting van de uitspraak op het beroep. Hieruit volgt volgens het Hof dat een vreemdeling van wie het asielverzoek is afgewezen als kennelijk ongegrond gedurende de periode waarin een rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag niet op grond van artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld. Wanneer die vreemdeling een dergelijk rechtsmiddel instelt, kan hij volgens het HvJ EU bovendien evenmin volgens die bepaling in bewaring worden gesteld zolang hij volgens artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven.
11. De Afdeling heeft in de uitspraak van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3442) uit deze jurisprudentie van het HvJ EU afgeleid dat een vreemdeling wiens eerste asielaanvraag kennelijk ongegrond is verklaard, procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h van de Vw 2000, tot op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
12. De rechtbank wijst erop dat de voornoemde jurisprudentie van het HvJ EU betrekking heeft op de uitleg van de ook nu nog geldende Terugkeerrichtlijn. Blijkens de concordantietabel bij de Procedureverordening is het vroegere artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn in de Procedureverordening teruggekomen in artikel 68, vijfde lid, punt d, van de Procedureverordening, dat voorwaarden stipuleert voor de toepassing van artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening.
12. De rechtbank concludeert dat eiser nu ook procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 omdat hij overeenkomstig artikel 68, vierde lid, van de Vw 2000 recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven.
14. Daarbij komt dat de Uniewetgever deze uitkomst ook voor ogen heeft gehad, gezien de bewoordingen in paragraaf 93 van de considerans bij de Procedureverordening. Daarin is namelijk vermeld:
“In gevallen waarin de verzoeker niet automatisch het recht heeft om te blijven ten behoeve van het beroep, moet een rechterlijke instantie toch, op verzoek van de verzoeker of ambtshalve, de verzoeker kunnen toestaan om in afwachting van de uitkomst van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te blijven. In dergelijke gevallen moeten verzoekers het recht hebben om te blijven tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven bij een rechterlijke instantie moet worden ingediend, verstrijkt en, indien de verzoeker binnen die termijn een dergelijk verzoek heeft ingediend, tot de bevoegde rechterlijke instantie een beslissing neemt.”
15. Dat artikel 7.3, eerste lid, van het Vb 2000 met ingang van 12 juni 2026 is gewijzigd en nu slechts vermeldt dat de vreemdeling niet uit Nederland wordt verwijderd, kan aan het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank afdoen. Artikel 7.3 van het Vb 2000 bevat de in artikel 82, derde lid, van de Vw 2000 bedoelde nadere regels omtrent het recht om al dan niet in afwachting van de uitspraak op een voorlopige voorziening in Nederland te
mogen verblijven. Bovendien is het niet mogelijk om in het Vb 2000 af te wijken van wat volgt uit de Procedureverordening en Terugkeerrichtlijn. Overigens wijst de rechtbank erop dat genoemd procedureel rechtmatig verblijf, zoals de Afdeling ook in de genoemde uitspraak heeft opgemerkt, niet meer omvat dan toestemming om op het grondgebied van Nederland te verblijven wegens de schorsing van de gevolgen van het terugkeerbesluit (zoals is bedoeld door het HvJ EU in par. 55 van de beschikking C., J en S).
15. Gelet op het voorgaande berust de op 15 juli 2026 opgelegde maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op de juiste wettelijke grondslag. Eiser kon niet met toepassing van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Dit moet leiden tot opheffing van de bewaring, zoals de minister ter zitting ook heeft onderkend.
15. De minister heeft ter zitting niet ten onrechte opgemerkt dat eiser als gevolg van het besluit tot inbewaringstelling niet wezenlijk is geschaad omdat anders de bewaring op grond van artikel 59b van het Vw 2000 zou zijn voortgezet. Dat kan echter niet wegnemen dat eiser op een onjuiste wettelijke grondslag is vastgehouden. Detentie op grond van een wettelijke grondslag die zich niet voordoet levert grond op voor schadevergoeding en de rechtbank ziet – voor zover de minister daarop een beroep heeft willen doen – geen aanleiding om die schadevergoeding te matigen omdat een andere wettelijke grondslag eventueel wel voorhanden was geweest.
15. Met betrekking tot de schadevergoeding constateert de rechtbank dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest. Met ingang van 15 juli 2026 tot en met heden betreft het dus 10 dagen onrechtmatige bewaring waarin eiser in het detentiecentrum heeft verbleven. De vergoeding per dag bedraagt € 120,-, zodat een schadevergoeding van
€ 1.200,- wordt toegekend.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven en eiser krijgt een schadevergoeding van
€ 1.200,-. Daarnaast spreekt de rechtbank een proceskostenveroordeling uit.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 24 juli 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.200,00, te betalen door de griffier;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.W. Venderbos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.