ECLI:NL:RBDHA:2026:20767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.6536
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Richtlijn 2011/95/EUArt. 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning asielvergunning aan voormalige Somalische overheidsfunctionaris wegens gegronde vrees voor vervolging door Al-Shabaab

Eiser, een voormalige overheidsambtenaar uit Somalië, diende een asielaanvraag in na bedreigingen door Al-Shabaab vanwege zijn weigering tot samenwerking. De minister wees de aanvraag af, stellende dat eiser niet onder het risicoprofiel viel en dat de bedreigingen niet ernstig genoeg waren voor een gegronde vrees voor vervolging.

De rechtbank oordeelt dat de eerdere bedreigingen geloofwaardig zijn en dat deze een duidelijke aanwijzing vormen voor een gegronde vrees, tenzij goede redenen bestaan dat vervolging niet zal herhalen. Uit recente landeninformatie blijkt dat ook voormalige overheidsfunctionarissen risico lopen, mede door het grote netwerk van Al-Shabaab in Mogadishu en de onvolledige controle van de federale overheid.

De rechtbank concludeert dat de bedreigingen gericht waren op de persoon van eiser en niet alleen op zijn ambtelijke hoedanigheid, en dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat Al-Shabaab hem bij terugkeer opnieuw zal benaderen. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen twee weken een verblijfsvergunning te verlenen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de minister om binnen twee weken een verblijfsvergunning asiel te verlenen aan eiser wegens gegronde vrees voor vervolging door Al-Shabaab.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.6536
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1990, met de Somalische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven
.Het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas van eiser. Onder 4 staat de besluitvorming. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.H. Sharif als tolk in de taal Somali en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser was een overheidsambtenaar in Somalië voor het ministerie van landbouw. Tijdens een training die hij gaf in [plaats] , een plaats nabij Mogadishu, is hij benaderd door [persoon] die hem vroeg om met Al-Shabaab samen te werken. Eiser heeft dit geweigerd. Daarna ontving eiser doodsbedreigingen via de telefoon. Ook kwam Al-Shabaab naar het huis van zijn vrouw om hem te zoeken. Op 17 juni 2023 is eiser naar Nederland gekomen om een cursus te volgen. Terwijl hij hier was werd zijn vrouw mishandeld, als gevolg waarvan zij een miskraam kreeg. Eiser schrok daar zo van dat hij asiel heeft aangevraagd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met Al-Shabaab.
4.1.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De minister heeft het daarnaast geloofwaardig geacht dat eiser door Al-Shabaab is benaderd en bedreigd, maar heeft het niet geloofwaardig geacht dat deze bedreigingen zo ernstig zijn dat eiser bij terugkeer (opnieuw) zal worden vervolgd. Eiser valt niet onder het risicoprofiel van overheidsambtenaar, omdat hij afkomstig is uit Mogadishu dat niet onder controle staat van Al-Shabaab en omdat eiser sinds zijn ontslag in 2023 niet langer werkzaam is als overheidsambtenaar. Dat eiser wel overheidsambtenaar is geweest, maakt niet dat hij nog steeds te vrezen heeft voor Al-Shabaab. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat hij niet een dermate hooggeplaatste ambtenaar was dat hij nog steeds op basis van zijn eerdere beroep vervolgd zou kunnen worden. Daarnaast heeft eiser vanaf juni 2023 niets meer vernomen van Al-Shabaab. Daarom valt ook niet in te zien dat Al-Shabaab nog interesse zou hebben in eiser. Verder zijn eisers verklaringen niet samenhangend en heeft hij ook onduidelijk verklaard over de reden voor zijn aanvraag. Eiser heeft zich bovendien niet direct nadat hij in Nederland aankwam gemeld voor zijn asielaanvraag. Dit ondermijnt zijn gestelde vrees. Als de bedreigingen vanuit Al-Shabaab dusdanig ernstig waren, dan had van eiser verwacht mogen worden dat hij direct na aankomst in Nederland asiel zou hebben aangevraagd.
4.2.
De minister heeft eisers asiel aanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000 [1] (aanvraag niet zo spoedig als mogelijk ingediend). [2]
Heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in Somalië?
Standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer wel te vrezen heeft voor vervolging door Al-Shabaab. Eiser wijst op het ambtsbericht van 31 maart 2025 en de
Somalia: Country Focusvan de EUAA van mei 2025. Hieruit volgt dat het geweld van Al-Shabaab extreem is, dat hun invloed ver reikt en dat overheidsfunctionarissen gevaar van hen lopen. Dat eiser sinds juni 2023 niets van Al-Shabaab gehoord heeft maakt niet dat hij niet meer te vrezen heeft. Eiser verblijft op dit moment niet in Somalië, als hij terugkeert kan hij nog steeds worden vervolgd door hen. Dat eiser geen overheidsambtenaar meer is maakt ook niet dat hij niet meer interessant zou zijn voor Al-Shabaab. Uit het ambtsbericht volgt dat ook personen die door Al-Shabaab geassocieerd worden met de overheid slachtoffer kunnen worden. Ook staat in het ambtsbericht dat personen die weigerden samen te werken met Al-Shabaab doelwit waren van gerichte aanslagen. Dat eiser geen hooggeplaatste ambtenaar was, is niet relevant. Uit het meest recente ambtsbericht volgt dat ook lagere ambtenaren het doelwit van geweld kunnen zijn. Bovendien heeft de minister het geloofwaardig geacht dat eiser is bedreigd. Dat eiser niet direct asiel heeft aangevraagd zegt tot slot misschien iets over de gevolgen die eiser aan de geloofwaardige bedreiging verbindt, maar niet iets over de ernst van de bedreiging zelf.
Juridisch kader
5.1.
De rechtbank overweegt dat het Hof [3] in het recente arrest Quotal [4] heeft bevestigd dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. [5] Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen. [6] Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. [7] Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. [8]
5.2.
De rechtbank overweegt verder dat, om voor vergunningverlening in aanmerking te komen, sprake moet zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Het Hof heeft in het eveneens recente arrest Ebilum [9] uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn. [10] Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. [11] De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant. [12] Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst. [13]
Toepassing van het juridisch kader op de zaak van eiser
5.3.
Uit het ambtsbericht van 31 maart 2025 volgt:
“De autoriteiten bleken niet of onvoldoende in staat geweest om herwonnen gebieden duurzaam onder controle te krijgen en te stabiliseren. Ook in door de federale regering gecontroleerde gebieden had Al-Shabaab nog een vorm van controle (…). Daarmee had Al-Shabaab meer controle dan op het eerste gezicht het geval leek. (…). Al-Shabaab kon zich vrij bewegen en infiltreren, ook in de stedelijke gebieden inclusief Mogadishu, en volgens een vertrouwelijke bron soms zelfs in de beveiligde zone rondom het vliegveld.” [14]
“Repressie door Al-Shabaab was vaak extreem. (…) Groepen die gevaar liepen onder Al-Shabaab waren onder andere overheidsfunctionarissen en personen die ervan werden verdacht samen te werken met de overheid (zoals leden van milities of clanoudsten). In het vorige ambtsbericht werd aangegeven dat voornamelijk hooggeplaatste overheidsfunctionarissen gevaar liepen om doelwit te worden van Al-Shabaab; in de verslagperiode werden ook bijvoorbeeld een politieagent en een belastinginner op lokaal niveau geëxecuteerd door Al-Shabaab.” [15]
“Personen die problemen hadden met Al-Shabaab konden naar stedelijke gebieden als Mogadishu, Kismayo of Baidoa trekken – steden die onder bestuur van de overheid stonden. Hiermee konden ze zich echter niet altijd onttrekken aan geweld, want Al-Shabaab had de capaciteit om zich ook buiten gebieden onder hun controle te verplaatsen.” [16]
“Mogadishu was in naam onder controle van de federale regering. De federale regering was niet in staat de veiligheid in Mogadishu volledig te garanderen. Al-Shabaab had weliswaar geen controle over gebieden in Mogadishu, maar was geïnfiltreerd in de overheid en had een groot netwerk aan informanten” [17]
“Al-Shabaab voerde in de verslagperiode geregeld aanslagen uit, zoals op (soms voormalige) federale en deelstatelijke parlementsleden, overheidsfunctionarissen, politieagenten, een rechter en een gevangenisbewaarder. De meeste aanslagen vonden plaats in Mogadishu.” [18]
5.4.
De rechtbank overweegt dat de minister het geloofwaardig heeft geacht dat eiser in het verleden is bedreigd door Al-Shabaab. Dit is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eiser voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank ziet geen goede redenen om dit aan te nemen. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat Al-Shabaab eiser nu nog associeert met de overheid, kan de rechtbank ook niet uitsluiten dat eiser bij terugkeer toch risico loopt. Uit de hierboven geciteerde landeninformatie volgt namelijk dat ook voormalige overheidsfunctionarissen risico lopen. Daarnaast blijkt uit de landeninformatie dat Al-Shabaab in Mogadishu – waar eiser vandaan komt – een groot netwerk heeft, dat de federale overheid over de onderzoeksperiode niet in staat was de veiligheid daar volledig te garanderen en dat de meeste aanslagen op (voormalige) overheidsfunctionarissen daar plaatsvonden.
5.5.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat de eerdere bedreigingen door Al-Shabaab – die de minister dus geloofwaardig acht – na eisers weigering om samen te werken er niet zozeer op waren gericht om eiser tot alsnog samenwerking te bewegen, maar meer algemeen van aard waren. Eiser heeft namelijk verklaard dat aan de telefoon werd gezegd dat hij voor Al-Shabaab afvallig is, dat hij een spion is en dat hij zeker wordt gedood. [19] Deze bedreigingen waren daarmee niet gericht op eisers hoedanigheid als overheidsfunctionaris, maar op eisers persoon zelf. Nu het Al-Shabaab eerder is gelukt om eiser op te sporen en zelfs zijn vrouw te benaderen, is de rechtbank van oordeel dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat Al-Shabaab dit opnieuw zal doen bij eisers terugkeer, ook al werkt hij niet meer bij de overheid. De vrees voor vervolging moet daarom als aannemelijk worden beschouwd.
5.6.
Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister het risicoprofiel niet deugdelijk gemotiveerd?
6. Eiser voert aan dat het risicoprofiel van personen die werken bij of door Al-Shabaab geassocieerd worden met de overheid niet deugdelijk is gemotiveerd. Op 3 april 2025 heeft de minister dit risicoprofiel territoriaal gewijzigd van ‘Zuid- en Centraal-Somalië’ naar ‘gebieden in Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab’. Dit is niet logisch omdat het werkgebied van overheidsambtenaren vaak juist gebieden omvat die onder controle staan van de regering, niet gebieden die onder controle staan van Al-Shabaab. Juist in die gebieden, waar Al-Shabaab aanwezig is maar niet de feitelijke controle heeft, lopen overheidsambtenaren het grootste risico. Gelet hierop is het risicoprofiel niet deugdelijk gemotiveerd. Het oordeel dat eiser niet onder het risicoprofiel valt is daarmee ook niet deugdelijk gemotiveerd.
6.1.
De rechtbank laat deze beroepsgrond van eiser onbesproken. Ook als een vreemdeling onder een risicoprofiel valt, wordt nog steeds aan de hand van zijn of haar individuele asielrelaas het reële risico op vervolging of ernstige schade getoetst. [20] De rechtbank is hierboven al tot het oordeel gekomen dat eisers vrees voor vervolging als aannemelijk moet worden beschouwd. Beoordeling van deze grond, wat de uitkomst daar ook van zou zijn, zou geen verschil maken voor de uitkomst van eisers zaak. De rechtbank gaat hierom niet inhoudelijk in op deze beroepsgrond.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de afwijzing van eisers aanvraag als kennelijk ongegrond niet in stand kan blijven
8. De rechtbank draagt de minister op om eiser een asielvergunning te verlenen. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van twee weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026;
- verwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op om binnen twee weken aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is artikel 30b van de Vw 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, is het oude artikel 30b op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.Arrest van het Hof van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 (
5.Arrest
6.Arrest
7.Arrest
8.Arrest
9.Zie de uitspraak van het Hof van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 73.
10.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.
11.Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.
12.Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.
13.Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.
14.Pagina 22 en 23.
15.Pagina 28 en 29.
16.Pagina 30.
17.Pagina 33.
18.Pagina 105.
19.Nader gehoor, pagina 12.
20.Dit staat in paragraaf C3/2.4 van de Vc 2000.