ECLI:NL:RBDHA:2026:2077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/09/697786 / KG ZA 26-41
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging beschikking verdeling woning na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest van juli 2023 tot september 2025. De rechtbank heeft bij beschikking van december 2025 de verdeling van de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen vastgesteld, waarbij de woning in beginsel aan de vrouw werd toegedeeld onder voorwaarden. De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de uitvoering van deze beschikking, waaronder het voorstellen van makelaar-taxateurs en medewerking aan de overdracht.

De man verzoekt schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking in afwachting van hoger beroep, stellende dat de beschikking berust op een juridische en feitelijke misslag en dat hij belang heeft bij het behoud van de woning. De rechtbank overweegt dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat schorsing slechts kan worden toegewezen indien het belang van de vrouw bij onmiddellijke tenuitvoerlegging niet in redelijke verhouding staat tot het belang van de man om de bestaande toestand te handhaven.

De rechtbank oordeelt dat de belangenafweging in de beschikking zorgvuldig is gemaakt en dat geen kennelijke misslag is gebleken. Het belang van de vrouw bij onmiddellijke tenuitvoerlegging weegt zwaarder dan het belang van de man bij schorsing. De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de uitvoering van de beschikking, met oplegging van dwangsommen bij niet-nakoming. De vorderingen van de vrouw worden toegewezen, die van de man afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw toe en veroordeelt de man tot medewerking aan de tenuitvoerlegging van de beschikking, terwijl de vorderingen van de man tot schorsing worden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaak- / rolnummer: C/09/697786 / KG ZA 26-41
Vonnis in kort geding van 9 februari 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw
advocaat mr. M.C. Tijsterman,
tegen:
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.L.J. Kapteijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 januari 2026 met producties 1 t/m 8;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met producties 1 t/m 12;
- de op 26 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 10 juli 2023 tot 30 september 2025. De echtscheidingsbeschikking van 13 augustus 2025 is op 30 september 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Bij beschikking van 12 december 2025 heeft deze rechtbank onder meer de verdeling van de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld:
“1. met betrekking tot de woning, gelegen aan het adres [adres]
en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en) bij Florius:
1.1
de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en zo nodig te verkopen, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde van de woning, inclusief de onder ad b. inboedel opgesomde roerende zaken, vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
e kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw , als kosten koper, voldaan;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
1.2
indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder de onder 1 genoemde voorwaarden dan wordt de woning toegedeeld aan de man op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder 1, waarbij geldt dat waar man staat moet worden gelezen vrouw en omgekeerd;
1.3
indien geen van partijen de woning kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden
dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
partijen verstrekken binnen één week nadat de onder 2) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2. bepaalt dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg zullen verdelen, op de wijze zoals is
omschreven in het lichaam van deze beschikking onder het kopje ‘ad 2. De inboedel’;
3. bepaalt dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de saldi van de volgende bankrekeningen
op de peildatum:
- de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [bankrekening 1] ;
- de Oranje spaarrekening op naam van de vrouw met nummer [spaarrekening 1] ;
- de Oranje spaarrekening op naam van de vrouw met nummer [spaarrekening 2] ;
- de spaarrekening op naam van de man met nummer [spaarrekening 3] ;
- de spaarrekening op naam van de man met nummer [spaarrekening 4] ;
- de bankrekening op naam van de man met nummer [bankrekening 2] ;
en verstaat dat de vrouw de bankrekeningen op har naam zal voortzetten en dat de man de bankrekeningen op zijn naam zal voortzetten;
4. aan de man worden toegedeeld:
4.1
de gouden halsketting met kruis, de parfums en het horloge, zonder verrekening;
4.2
de auto van het merk BWM met kenteken [kenteken] voor € 10.000,-, onder verrekening van de
helft van de waarde met de vrouw ;
5. aan de vrouw worden toegedeeld:
5.1.
de gouden munt, zonder verrekening;
5.2.
de gouden sieradensets, zonder verrekening;
6. bepaalt dat de man de helft van het in de kluis van zijn ouders aanwezige contante geld dat partijen van bruiloftsgasten hebben ontvangen van € 30.000,-, dus € 15.000,-, aan de vrouw dient te voldoen;
(…)
en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;”
In het lichaam van de beschikking heeft de rechtbank het volgende overwogen ten aanzien van de verdeling van de woning:
“De man en de vrouw hebben allebei verzocht om toedeling van de woning, met ontslag van de andere partij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en met verdeling van de eventuele overwaarde bij helfte. Omdat beide partijen stellen een belang te hebben bij toedeling van de koopwoning en financieel in staat te zijn de woning over te nemen, zal de rechtbank een belangenafweging maken.
De rechtbank stelt voorop dat haar is gebleken dat beide partijen belang hebben bij toedeling van de koopwoning. Partijen hebben de woning gezamenlijk gekocht in mei 2023. De stelling van de man dat de vrouw alleen op verzoek van haar moeder mede-eigenaar is geworden van de woning, wat door de vrouw is betwist, acht de rechtbank in dat kader niet relevant. Vaststaat immers dat partijen vanaf de aankoop van de woning beiden voor een gelijk deel eigenaar zijn van de woning. Dat de vrouw eerder zou hebben aangegeven dat zij de woning wilde verkopen en dat zij in de voorlopige voorzieningenprocedure partneralimentatie had gevraagd om de hypotheekrente te kunnen betalen acht de rechtbank evenmin relevant bij haar beoordeling, omdat zij de verzoeken beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden zoals die nu zijn.
In de voorlopige voorzieningenprocedure is het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man toegewezen. De vrouw verblijft al geruime tijd bij haar ouders in [plaats 1] in een klein appartement waar zij op de bank in de woonkamer slaapt. De vrouw heeft aangevoerd dat dit voor haar niet vol te houden is en dat zij tot nu toe ook geen andere woning heeft kunnen vinden. Omdat de klanten waarvoor de vrouw werkt zich met name in Zuid-Holland zijn gevestigd wil de vrouw graag in de regio Den Haag wonen. Bij haar ouders thuis heeft zij geen goede thuiswerkmogelijkheden, waardoor zij genoodzaakt is in hotellobby’s en vanuit de auto te werken. De man heeft op zijn beurt gesteld dat behoud van de woning voor hem van groot belang is in het kader van zijn werk-privé balans. De man heeft momenteel een opdracht in Haarlem, maar heeft tijdens de eerste zitting op 30 juli 2025 aangegeven dat hij als consultant bij klanten overal in het land tewerkgesteld kan worden. Verder heeft de man gesteld dat de hele situatie een negatieve impact op zijn gezondheid heeft gehad. Volgens de man ligt het voor de vrouw wat betreft werk- en sociale omgeving niet voor de hand om in Den Haag te wonen, terwijl dat voor hem wel het geval is.
De rechtbank is op basis van al het voorgaande gebleken dat de situatie van beide partijen verre van ideaal is op het moment dat zij de echtelijke woning niet zouden kunnen overnemen. Beide partijen zullen naar moet worden aangenomen moeten terugvallen op (in ieder geval tijdelijk) verblijf bij familie. De rechtbank komt alles afwegende tot het oordeel dat het belang van de vrouw om de echtelijke woning toegedeeld te krijgen zwaarder weegt dan dat van de man. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de hiervoor geschetste omstandigheden naar haar oordeel blijkt dat de situatie van de vrouw – die al lange tijd bij haar ouders in een klein appartement verblijft, op ruime afstand van haar werk – op dit moment nijpender is dan de situatie van de man. De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat de man tijdens de vorige zitting heeft verklaard dat hij overal in het land opdrachten kan krijgen en dus minder aan de regio is gebonden dan de vrouw . Bovendien is onweersproken gebleven dat de ouders van de man over een ruime woning beschikken in [plaats 2] waar hij tijdelijk zou kunnen verblijven. In wat door de man allemaal naar voren is gebracht heeft de rechtbank verder ook geen reden om te twijfelen aan de financiële situatie van de vrouw . De vrouw heeft al haar salarisspecificaties van het afgelopen jaar overgelegd en verklaringen van haar financieel adviseur, waaruit blijkt dat zij in beginsel in staat zou moeten zijn de woning te kunnen financieren. In dat opzicht is de situatie van de vrouw dus niet anders dan die van de man.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de echtelijke woning in eerste instantie aan de vrouw toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Daarbij bepaalt de rechtbank ook dat indien de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, de woning aan de man zal worden toebedeeld op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de man ook niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, zal de woning worden verkocht aan een derde, op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man veroordeelt om binnen twee dagen na dit vonnis drie makelaar-taxateurs voor te stellen conform de beschikking van 12 december 2025, welke makelaar-taxateurs bereid zijn om de woning te taxeren, waarna de vrouw een keuze uit de drie makelaars maakt en de man binnen drie dagen mede opdracht verleent tot taxatie van de woning, waarna de man medewerking verleent zodat de taxatie binnen vijf dagen kan worden uitgevoerd. De makelaar-taxateur bepaalt een bindende waarde van de woning inclusief de roerende zaken vermeld in punt b blad 5 van de beschikking van 12 december 2025;
de man veroordeelt om mee te werken aan de toedeling van de woning aan de vrouw via een door de vrouw gekozen notaris, onder uitkoop van de man van de overwaarde (taxatiewaarde minus restanthypotheek);
de man veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 500,- per dagdeel wanneer de man niet meewerkt aan het onder i. bepaalde;
de man veroordeelt om binnen twee dagen na dit vonnis hetgeen in de punten 2, 3, 4, 5 en 6 van de beschikking van 12 december 2025 is opgenomen uit te voeren onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dagdeel wanneer de man niet meewerkt;
de man veroordeelt in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – aan dat de man geen uitvoering geeft aan de verdeling van de woning en de overige bestanddelen van de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen, zoals door de rechtbank bepaald bij beschikking van 12 december 2025. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat de man moet meewerken aan de uitvoering daarvan, ongeacht dat hij hiertegen hoger beroep wil gaan instellen. De vrouw heeft (spoedeisend) belang bij onmiddellijke uitvoering van de beschikking, met name wat betreft de woning, omdat haar huidige woonsituatie bij haar ouders in [plaats 1] niet te combineren is met haar werk in Zuid-Holland, zorgt voor extra financiële lasten en de krappe en ongeschikte woonomstandigheden gezondheidsproblemen bij de vrouw veroorzaken.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 december 2025 schorst voor de duur van de hoger beroepsprocedure in afwachting van de uitkomst daarvan;
- bepaalt dat de man het voortgezet uitsluitend gebruik van de woning heeft zolang er geen beslissing omtrent toebedeling dan wel verkoop is genomen;
voorwaardelijk, indien de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw toewijst:
- bepaalt dat de man tenminste nog 1 jaar nadat duidelijk is dat de vrouw de woning toebedeeld kan krijgen, het voortgezet uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft.
3.5.
Daartoe voert de man – samengevat – aan dat hij hoger beroep gaat instellen tegen de beschikking van 12 december 2025, omdat hij meent dat de beslissing over de verdeling klaarblijkelijk berust op een juridische en feitelijke misslag, gelet op de aangedragen feiten en de argumenten die de rechtbank vervolgens bij de belangenafweging heeft gehanteerd. De man heeft (spoedeisend) belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking op grond van artikel 438 lid 3 Rv Pro totdat in hoger beroep is beslist, zodat geen onomkeerbare situatie ontstaat. Bovendien heeft de aanhoudende strijd en het dreigende verlies van de woning een negatieve invloed op het (psychisch) functioneren van de man, waardoor zijn belang nog groter is geworden. Het belang van de vrouw bij (spoedige) tenuitvoerlegging ontbreekt, aangezien zij sinds september 2024 bij haar ouders verblijft en daar kan blijven totdat een definitieve beslissing is genomen.
3.6.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
4.1.
De vorderingen van de vrouw zijn erop gericht dat onmiddellijk uitvoering wordt gegeven aan de beschikking van 12 december 2025, met name dat de woning aan haar wordt toebedeeld. Gelet op de stelling van de vrouw dat haar huidige woonsituatie onhoudbaar is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen gegeven. De reconventionele vorderingen van de man zijn er juist op gericht dat de woning (nu) niet wordt toebedeeld aan de vrouw en dat de man in de woning kan blijven wonen totdat in hoger beroep is beslist. Gelet op de stelling van de man dat hij geen alternatieve woonruimte heeft als hij de woning moet verlaten, is ook het spoedeisend belang bij zijn vorderingen gegeven.
4.2.
Bij beschikking van 12 december 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de woning in beginsel aan de vrouw wordt toegedeeld en dat als blijkt dat zij de woning niet tegen de getaxeerde waarde kan overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek, de woning wordt toegedeeld aan de man onder dezelfde voorwaarden en dat indien geen van partijen de woning kan overnemen, deze wordt verkocht aan een derde. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze na betekening direct ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
4.3.
Op grond van artikel 438 lid 3 Rv Pro kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een beslissing schorsen, indien op grond van de omstandigheden van het geval moet worden aangenomen dat het belang bij onverwijlde tenuitvoerlegging van degene die de veroordeling verkreeg, in geen redelijke verhouding staat tot het belang van de veroordeelde om de bestaande toestand te handhaven tot in hoger beroep is beslist. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van rechtsmiddelen buiten beschouwing, met dient verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de beslissing berust op een kennelijke misslag. In het geval een gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gegeven, zal van betekenis zijn of de beslissing klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust en verder of sprake is van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die kunnen rechtvaardigen dat van de beslissing wordt afgeweken. De kans van slagen van het hoger beroep moet in beginsel buiten beschouwing blijven. [1]
4.4.
In dit geval is de beslissing van de rechtbank zonder nadere motivering uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Uitgangspunt is dan ook dat de beslissing uitgevoerd moet worden, tenzij sprake is van een doorslaggevend belang van de man om in de woning te blijven in afwachting van het hoger beroep. De rechtbank heeft de beslissing om de woning aan de vrouw toe te delen onderbouwd met feitelijke vaststellingen en een afweging van de belangen van partijen. Niet gebleken is dat die beslissing berust op een kennelijke misslag, in die zin dat daarbij evidente fouten zijn gemaakt, zoals de man heeft gesteld. Benadrukt wordt dat het om een kennelijke, duidelijk in het oog springende (feitelijke) fout moet gaan en dat in het kader van dit kort geding, anders dan de man lijkt te veronderstellen, geen plaatst is voor een diepgravend onderzoek naar de (juistheid) van de omstreden feiten. Dat de man het niet eens is met de uitkomst van de belangenafweging is voorts niet gelijk te stellen aan een feitelijke of juridische fout en rechtvaardigt dus niet dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing moet worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld. Op grond van de over en weer aangevoerde omstandigheden is niet gebleken dat het belang van de vrouw bij onverwijlde tenuitvoerlegging van de beslissing – en dus overname van de woning – niet in redelijke verhouding staat tot het zwaarwegende belang van de man om in de woning te blijven totdat in hoger beroep is beslist. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat geen onomkeerbare situatie ontstaat bij onverwijlde tenuitvoerlegging. Indien de vrouw immers in staat blijkt om de woning over te nemen en deze wordt aan haar geleverd, kan de woning in een later stadium alsnog aan de man geleverd worden indien in hoger beroep anders wordt beslist.
4.5.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw in conventie toewijzen en de vorderingen van de man in reconventie afwijzen. Daarbij zal de voorzieningenrechter, om executieproblemen te voorkomen, bepalen dat als de man niet tijdig makelaar-taxateurs voorstelt, de vrouw zelf een makelaar-taxateur mag kiezen. Het onder ii gevorderde bevel tot medewerking zal zodanig worden geformuleerd dat dit aansluit bij hetgeen daarover is bepaald in de beschikking van 12 december 2025.
4.6.
Oplegging van dwangsommen, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissingen, is aangewezen. De op te leggen dwangsommen zullen worden gemaximeerd.
4.7.
In de familierechtelijke aard van dit geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de man om binnen drie dagen na heden conform de beschikking van deze rechtbank van 12 december 2025 (C/09/673445 FA RK 24-7101 (echtscheiding) en C/09/683028 / FA RK 25-2532 (verdeling)) drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen aan de advocaat van de vrouw , welke makelaar-taxateurs bereid zijn om de woning te taxeren, waarna de vrouw omgaand uit die drie makelaars een keuze maakt en die meedeelt aan de advocaat van de man, waarbij geldt dat als de man niet binnen twee dagen na heden drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voorstelt, de vrouw zelf een makelaar-taxateur kiest en die keuze meedeelt aan de advocaat van de man, waarna de man binnen drie dagen na de door de vrouw gemaakte keuze mede (schriftelijk) opdracht verleent aan de makelaar voor het uitvoeren van een taxatie een de woning aan de [adres] , en veroordeelt de man om in de ruimste zin zijn medewerking te verlenen, onder meer aan het toelaten van de door de vrouw gekozen makelaar-taxateur in de woning, opdat de makelaar de taxatie kan uitvoeren binnen een termijn van maximaal vijf dagen nadat de opdracht aan hem/haar is verleend, waarbij geldt dat de makelaar-taxateur een bindende waarde van de woning zal bepalen, inclusief de roerende zaken zoals vermeld in de beschikking van 12 december 2025 op bladzijde 5 onder punt b, welk onderdeel hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;
5.2.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen in de ruimste zin aan de toedeling van de woning aan de vrouw via een door de vrouw gekozen notaris, indien zij binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan kan tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
5.3.
veroordeelt de man tot het betalen van een dwangsom van € 500,- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, wanneer de man weigert en/of zich onthoudt zijn medewerking te verlenen aan de veroordeling onder 5.1, met een maximum van € 25.000,-;
5.4.
veroordeelt de man om binnen twee dagen na heden uitvoering te geven aan hetgeen is opgenomen in het dictum van de beschikking van 12 december 2025 onder 2 t/m 6, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, wanneer de man niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, met een maximum van € 25.000,-;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.8.
wijst de vorderingen af;
5.9.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
JvL

Voetnoten

1.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026