ECLI:NL:RBDHA:2026:20781

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.2388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalische vluchteling wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister van Asiel en Migratie op 18 december 2025 werd afgewezen. De minister oordeelde dat hoewel de identiteit en discriminatie van eiser geloofwaardig waren, er geen gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Somalië bestond.

Eiser stelde dat hij vanwege zijn status als buitenechtelijk kind en een vechtpartij waarbij een tegenstander gewond raakte, gevaar loopt voor wraak van de familie van die tegenstander. De rechtbank oordeelde dat deze vrees voornamelijk gebaseerd is op vermoedens en onvoldoende concreet bewijs bevat. Ook de discriminatie die eiser ondervond werd als niet ernstig genoeg beoordeeld om bescherming te rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat de minister de afwijzing terecht als ongegrond heeft bestempeld en dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2388

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

geboren op [datum]
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Tevens is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten en moet terugkeren naar Somalië.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de [naam 3] bevolkingsgroep. Omdat eisers moeder onwettig zwanger is geworden en zijn ouders eiser nooit hebben erkend, ervaart eiser discriminatie in Somalië. De aanleiding van het vertrek van eiser is dat hij werd uitgescholden vanwege zijn ouders en eiser in een vechtpartij belandde. De jongen die eiser had uitgescholden, [naam 2] , raakte hierbij gewond. Daarom heeft eiser Somalië verlaten. Eiser hoorde later dat de familie van [naam 2] op zoek is naar hem. Eiser vreest door de familieleden verminkt of vermoord te worden. Ook stelt eiser tijdens zijn werk problemen meegemaakt te hebben vanwege discriminatie op basis van het zijn van een buitenechtelijk kind. Ook heeft eiser een keer één dag langer vastgezeten dan anderen jongens die gelijktijdig met hem waren aangehouden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eiser heeft te maken gehad met discriminatie in Somalië.
4.1.
De minister acht zowel het eerste als het tweede asielmotief geloofwaardig, maar uit eisers verklaringen blijkt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Het feit dat eiser uit Somalië komt, is op zichzelf niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen bij terugkeer. Hoewel de minister eiser volgt in zijn stelling dat hij te vrezen heeft voor vormen van discriminatie in Somalië, is de ondervonden discriminatie niet van dien aard dat het voor eiser onmogelijk was om op maatschappelijk en social gebied te kunnen functioneren. Verder acht de minister het niet aannemelijk dat eiser te vrezen heeft voor de familie van [naam 2] . De minister stelt zich dan ook op het standpunt dat de asielaanvraag van eiser terecht als ongegrond is afgewezen.
Zienswijze herhaald en ingelast
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de enkele verwijzing naar de zienswijze en het verzoek om die als herhaald en ingelast te beschouwen, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. [2] De rechtbank stelt vast dat de minister hierop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op die zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De stelling in beroep dat de minister niet inhoudelijk zou zijn ingegaan op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht ten aanzien van de gevechten met [naam 2] , volgt de rechtbank niet. De rechtbank wijst in dit verband naar de motivering van de minister op dit punt op pagina twee onder 2.1. van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich hierna dan ook richten op wat eiser in de beroepsgronden heeft aangevoerd.
Vrees voor familie van [naam 2]
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de geloofwaardigheidsbeoordeling en de risico inschatting over wat hem bij terugkeer te wachten staat van de zijde van de familie van [naam 2] heeft vermengd. Eiser is van mening dat de minister met de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden niet kan volstaan met de stelling dat de vrees van eiser is gebaseerd op eigen vermoedens.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het feit dat de gebeurtenissen geloofwaardig worden geacht niet betekent dat daarmee ook de door eiser gestelde vrees bij terugkeer voor de familie van [naam 2] aannemelijk is. De minister stelt in dit verband terecht dat eisers vrees in de eerste plaats gebaseerd is op eigen vermoedens. Concrete aanwijzingen dat de familie van [naam 2] eiser zullen verminken of vermoorden zijn er niet. Dat de familie van [naam 2] na de laatste vechtpartij op zoek is gegaan naar eiser rechtvaardigt niet direct het vermoeden van eiser dat de familie van [naam 2] hem iets zou willen aandoen of vermoorden. Verder zijn er aanwijzingen dat dit zou gaan om het verhalen van ziekhuiskosten die door de familie zouden zijn gemaakt en die zij op eiser wensten te verhalen. Dit maakt het nog niet aannemelijk dat hij van de zijde van de familie van [naam 2] voor vervolging dan wel ernstige schade te vrezen heeft. Ook heeft de minister in dit verband terecht mee laten wegen dat het incident waarbij [naam 2] gewond raakte in 2022 heeft plaatsgevonden en eiser niet aannemelijk heeft weten te maken waarom de familie nu nog achter hem aan zouden zitten. De stelling in beroep dat [naam 2] zou zijn overleden, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nog afgezien van het feit dat het overlijden van [naam 2] niet is aangetoond, heeft de minister ter zitting het standpunt kunnen innemen dat het causale verband tussen het gestelde overlijden van [naam 2] en de vechtpartij van drie jaar daarvoor, niet aannemelijk is gemaakt. Ten aanzien van de in beroep overgelegde WhatsApp-berichten heeft de minister ter zitting het standpunt kunnen innemen dat hieruit niet het causale verband tussen de vechtpartij en het overlijden van [naam 2] kan worden afgeleid, dat deze berichten niet objectief verifieerbaar zijn en dat hieraan om die reden niet de waarde kan worden gehecht die eiser wenst. Omdat dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders zal zijn nadat door eiser is aangetoond van welke datum de betreffende WhatsApp-berichten zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen om de datering van de berichten aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor de familie van [naam 2] . Gelet op het voorgaande treft de beroepsgrond dat de minister ten onrechte de geloofwaardigheidsbeoordeling en de risico inschatting zou hebben vermengd geen doel.
Discriminatie
7. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser ondervonden vormen van discriminatie niet zodanig waren dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en social gebied te kunnen functioneren. De minister heeft er in dit verband terecht op gewezen dat eiser onderdak had, naar school is geweest en dat hij in werk had in Somalië. Ook werd eiser niet door de autoriteiten vervolgd vanwege het feit dat hij een niet erkend kind was. Dat eiser werd uitgescholden en regelmatig van zijn geld werd beroofd in Somalië, is heel triest en afkeurenswaardig, maar betekent niet dat eiser voor vervolging te vrezen heeft. De omstandigheid dat eiser voor bescherming van de politie en het krijgen van zorg zou moeten betalen en hij de middelen daartoe niet heeft, maakt het voorgaande niet anders, omdat
-zoals ter zitting is erkend- dit voor alle Somaliërs geldt. Van discriminatie op dat vlak is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie in dit verband onder meer uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).