ECLI:NL:RBDHA:2026:20781
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Somalische vluchteling wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister van Asiel en Migratie op 18 december 2025 werd afgewezen. De minister oordeelde dat hoewel de identiteit en discriminatie van eiser geloofwaardig waren, er geen gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Somalië bestond.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn status als buitenechtelijk kind en een vechtpartij waarbij een tegenstander gewond raakte, gevaar loopt voor wraak van de familie van die tegenstander. De rechtbank oordeelde dat deze vrees voornamelijk gebaseerd is op vermoedens en onvoldoende concreet bewijs bevat. Ook de discriminatie die eiser ondervond werd als niet ernstig genoeg beoordeeld om bescherming te rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de minister de afwijzing terecht als ongegrond heeft bestempeld en dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en verklaart het beroep ongegrond.