ECLI:NL:RBDHA:2026:20783

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.6 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op 17 juli 2026. De kennisgeving van deze maatregel aan de rechtbank vond niet onverwijld plaats, maar drie dagen later, vanwege een systeemprobleem bij DT&V. De rechtbank oordeelde dat deze vertraging een gebrek vormde, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel, omdat de rechtbank nog tijdig uitspraak kon doen en eiser geen nadeel had ondervonden.

Verweerder had de maatregel gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het niet beschikken over vereiste reisdocumenten en het zich zonder toestemming bewegen tussen lidstaten, alsmede het niet melden van afwezigheid uit opvangcentra. Eiser betwistte alle gronden, maar de rechtbank vond de gronden a en o feitelijk juist en voldoende om het onderduikrisico te onderbouwen.

Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat hij meewerkt aan overdracht en slechts één keer te laat was bij een vertrekgesprek. De rechtbank vond echter dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was, mede vanwege het meerdere keren met onbekende bestemming vertrekken van eiser en het niet verschijnen bij vertrekgesprekken.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en kende eiser geen proceskosten toe.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40490

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 17 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan op 20 juli 2026 in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb [1] kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [2]
Onverwijlde kennisgeving
4. In artikel 94, eerste lid, van de Vw [3] is onder meer bepaald dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59b, de rechtbank hiervan in kennis stelt.
5. Aan eiser is op 17 juli 2026 om 12:20 uur de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft op 20 juli 2026 om 12:04 uur de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de reden dat de kennisgeving niet eerder was verzonden, gelegen was in een probleem in het systeem van DT&V.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de rechtbank niet onverwijld in kennis gesteld van de maatregel van vreemdelingenbewaring, nu hij de kennisgeving pas drie dagen na het opleggen van de maatregel heeft verzonden. Dat de oorzaak van de verlate kennisgeving een probleem in het systeem van DT&V zou zijn – wat overigens niet is onderbouwd – maakt niet dat er om die reden toch sprake was van een onverwijlde kennisgeving. Die storing komt voor rekening van verweerder. Er is dus sprake van een gebrek.
7. Dit gebrek raakt echter niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt dus niet automatisch mee dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in dit geval in het voordeel van verweerder uitvalt omdat de rechtbank zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel, uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring en verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. Het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel weegt in dit geval dan ook zwaarder. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en
migratiebeheerverordening.
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. Eiser betwist alle gronden.
10. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Verweerder heeft de grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten en hij zich zonder toestemming door meerdere lidstaten heeft bewogen. Dat eiser asielzoeker is en daarom geen paspoort en visum stelt te kunnen aanvragen in zijn land van herkomst, doet aan de juistheid van deze grond niet af. Dit geldt eveneens voor de stelling dat eiser Frankrijk heeft verlaten omdat hij daar geen opvang zou krijgen. Verder mag verweerder de grond o aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser is immers drie keer met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser stelt dat hij wel steeds in Nederland heeft verbleven, laat onverlet dat hij bij verweerder geen melding heeft gedaan van zijn vertrek uit het asielzoekerscentrum. De gronden a en o zijn voldoende om de maatregel te dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
10. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Daarbij wijst eiser erop dat hij meewerkt aan zijn overdracht naar Frankrijk en dat hij slechts één keer te laat is gekomen voor een vertrekgesprek.
11. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser drie keer met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij zonder opgaaf van reden niet is verschenen bij de vertrekgesprekken op 12 en 19 juni 2026. De enkele stelling van eiser dat hij voor een van deze vertrekgesprekken geen uitnodiging zou hebben ontvangen, wordt zonder nadere onderbouwing niet gevolgd en zou ook overigens niet tot een ander oordeel leiden. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
12. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank ook geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig was.
Conclusie
13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door op 24 juli 2026 mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
3.Vreemdelingenwet 2000.