ECLI:NL:RBDHA:2026:20785

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL25.64100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 30a VwArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens onvoldoende actuele Eurodac-informatie

Eiseres, een Syrische vrouw, diende samen met haar twee minderjarige kinderen een asielaanvraag in Nederland in. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het feit dat eiseres internationale bescherming geniet in Bulgarije, gebaseerd op Eurodac-gegevens van ruim twee jaar oud.

Eiseres voerde aan dat de minister onzorgvuldig handelde door zich te baseren op verouderde informatie en dat zij als alleenstaande moeder met jonge kinderen een reëel risico loopt bij terugkeer naar Bulgarije. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende actueel onderzoek heeft verricht naar de verblijfsstatus in Bulgarije en dat het vertrouwen van eiseres in een inhoudelijke behandeling van haar aanvraag is geschonden.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en gaf de minister acht weken de tijd om een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek naar de actuele verblijfsstatus in Bulgarije vereist is. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64100

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar twee minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], V-nummer: [nummer 2], en
[minderjarige 2], V-nummer: [nummer 3]
(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard en haar opgedragen zich onmiddellijk naar Bulgarije te begeven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Paffen, als waarnemer van de gemachtigde van eiseres
.Als tolk is S. Al Hassan verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Inleiding

1.1
Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1995. Haar minderjarige kinderen hebben eveneens de Syrische nationaliteit en zijn geboren op [geboortedatum 2] 2018 ([minderjarige 1]) en [geboortedatum 3] 2019 ([minderjarige 2]). Eiseres heeft op 22 mei 2023, mede namens haar kinderen, een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.2.
Uit Eurodac, geraadpleegd op 22 mei 2023, is gebleken dat eiseres op 3 augustus 2022 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Bulgarije. Op 19 juli 2023 heeft verweerder aan Bulgarije verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Bulgarije heeft dit terugnameverzoek op 25 juli 2023 geweigerd. Daarbij hebben de Bulgaarse autoriteiten als reden opgegeven dat de Dublinverordening niet van toepassing is, omdat aan eiseres en haar minderjarige kinderen op 24 februari 2023 subsidiaire bescherming is verleend.
1.3.
Op 26 juli 2023 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar asielaanvraag verder behandeld zal worden in de nationale procedure. Ook op 26 juli 2023 heeft verweerder aan Bulgarije verzocht om te laten weten of eiseres opnieuw tot Bulgarije zal worden toegelaten. Op 3 augustus 2023 hebben de Bulgaarse autoriteiten laten weten dat eiseres een status heeft op basis van subsidiaire bescherming en dat zij zal worden toegelaten tot het grondgebied van Bulgarije.

Het bestreden besluit

2. Bij het bestreden besluit van 24 december 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) [1] , omdat eiseres in Bulgarije internationale bescherming heeft. Verweerder stelt dat eiseres, gelet op haar asielstatus in Bulgarije, een zodanige band heeft met Bulgarije dat het redelijk is dat zij daarheen terugkeert. Verweerder stelt verder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie terecht zal komen die in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

De beroepsgronden

3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen – samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld, nu hij bij eiseres het vertrouwen heeft gewekt dat haar asielaanvraag in de nationale procedure inhoudelijk zou worden behandeld. Verder geldt dat verweerder niet zonder meer mocht uitgaan van de verblijfstatus van eiseres in Bulgarije, aangezien de informatie van de Bulgaarse autoriteiten waarop verweerder zich heeft gebaseerd dateert uit 2023 en daarmee onvoldoende actueel is. Eiseres stelt verder dat verweerder ten onrechte ten aanzien van Bulgarije uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voorts stelt zij dat zij, als alleenstaande moeder met twee jonge kinderen, moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar en dat zij om die reden bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico loopt om terecht te komen in een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige situatie.

Het oordeel van de rechtbank

4. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de EU internationale bescherming geniet.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraken van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441, en 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3128, volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor geldt wel dat het tijdsverloop sinds het verkrijgen van die informatie van een andere lidstaat beperkt dient te zijn en dat uit die informatie duidelijk wordt wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Indien de informatie van de andere lidstaat onvoldoende actueel is dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, dient verweerder nader onderzoek te doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.
4.2.
De informatie waar verweerder het bestreden besluit op heeft gebaseerd, te weten de afwijzing van het claimverzoek door Bulgarije op 25 juli 2023 (zie 1.2.) en de brief van de Bulgaarse autoriteiten van 3 augustus 2023 (zie 1.3.), is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende actueel. Op het moment van het bestreden besluit was deze informatie namelijk al (ruim) twee jaar en vier maanden oud. Gelet hierop kon verweerder er in het bestreden besluit niet zonder nader onderzoek bij de Bulgaarse autoriteiten van uitgaan dat eiseres nog steeds internationale bescherming in Bulgarije heeft.
4.3.
Het standpunt van verweerder dat een verleende internationale beschermingsstatus pas eindigt als die status na een individuele beoordeling wordt ingetrokken of niet wordt verlengd (zie de Afdelingsuitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253), dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat de Bulgaarse autoriteiten een dergelijke individuele beoordeling hebben verricht en dat eiseres dat niet heeft gedaan, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. Deze vlieger gaat naar het oordeel van de rechtbank pas op als de informatie waarop verweerder zich baseert voldoende actueel is, en dat is hier niet het geval. Pas als uit voldoende actuele informatie volgt dat een vreemdeling internationale bescherming in een andere lidstaat heeft, is het aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken.
4.4.
Nu verweerder het onder 4.2. bedoelde nader onderzoek bij de Bulgaarse autoriteiten niet heeft verricht en zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op onvoldoende actuele informatie, heeft verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres nog internationale bescherming in Bulgarije heeft, zoals artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw voorschrijft. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.

Conclusie

5. Het beroep is reeds gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop en op wat er hierna over de wijze van geschilbeslechting is overwogen, laat de rechtbank hetgeen meer of overigens door eiseres is aangevoerd onbesproken.
6. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder het hiervoor geconstateerde gebrek niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om te bepalen of hij het gebrek wil herstellen dan wel wil overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, nu niet valt in te zien dat eiseres op die manier eerder uitsluitsel zal krijgen in haar zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op de asielaanvraag te nemen. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken. Mocht verweerder voornemens zijn de asielaanvraag van eiseres opnieuw niet-ontvankelijk te verklaren, dan geldt dat verweerder eerst nader onderzoek dient te verrichten bij de Bulgaarse autoriteiten naar de verblijfsstatus van eiseres en haar kinderen in Bulgarije. Uiteraard kan verweerder er ook voor kiezen om in het nieuw te nemen besluit de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk te beoordelen.
7. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het gaat hier en in de rest van deze uitspraak om de Vw zoals geldend vóór 12 juni 2026.