ECLI:NL:RBDHA:2026:2098

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL26.1341
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de toelichting op het onttrekkingsrisico onvoldoende was en betwistte de aan de bewaring ten grondslag gelegde zware gronden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder het juiste toetsingskader had toegepast en dat de feitelijke toelichting op de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3e voldoende was. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat deze gronden onjuist of onvoldoende gemotiveerd waren. Ook het beroep op jurisprudentie over de motivering van het onttrekkingsrisico werd niet gevolgd.

Daarnaast overwoog de rechtbank ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de EU, en vond geen onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1341

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

O
ntbreken toelichting onttrekkingsrisico / Toetsingskader bewaringsgronden
1. Eiser voert aan dat verweerder niet zonder meer kan volstaan met een feitelijke toelichting op de bewaringsgronden, zonder dat het (significante) onttrekkingsrisico deugdelijk nader wordt gemotiveerd. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852), waaruit volgens eiser volgt dat het onttrekkingsrisico voldoende deugdelijk en concreet moet worden gemotiveerd en dat het vermoeden van onttrekking weerlegbaar is. Daarnaast verwijst eiser naar de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), waaruit volgens eiser volgt dat wanneer er drie zware gronden in de maatregel van bewaring staan, verweerder een additionele nadere toelichting moet geven over de vraag of een (significant) risico op onderduiken bestaat.
1.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt over de nadere motivering van het onttrekkingsrisico. Uit de (door eiser aangehaalde) Afdelingsuitspraak van 25 maart 2020 volgt dat verweerder bij bewaring voor de meeste in artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bedoelde zware gronden kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder hoeft dan geen nadere toelichting op het onttrekkingsrisico te geven. Uit deze feitelijke gronden vloeit namelijk voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De Afdeling heeft in genoemde uitspraak (in rechtsoverwegingen 15.2 tot en met 15.2.3) verder overwogen dat verweerder bij drie specifieke zware gronden (te weten onder h, j en m van het derde lid van artikel 5.1b van het Vb) niet kan volstaan met een feitelijke toelichting, maar dat deze gronden ook een nadere toelichting behoeven. Het standpunt van eiser dat wanneer er drie (of meer) zware gronden in de maatregel van bewaring staan, verweerder een additionele toelichting moet geven over de vraag of een (significant) risico op onderduiken bestaat, volgt de rechtbank niet. Dat standpunt berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van de Afdeling. In deze zaak heeft verweerder de zware gronden 3h, 3j en 3m niet aan de maatregel ten grondslag gelegd. Verweerder kon daarom volstaan met een toelichting die laat zien dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het juiste toetsingskader met betrekking tot de bewaringsgronden heeft toegepast. Of verweerder de gebruikte zware gronden deugdelijk feitelijk heeft toegelicht, zal hierna beoordeeld worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser betwist alle zware gronden. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat deze grond feitelijk onjuist, althans onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is omdat er geen enkele onderbouwing van het standpunt in het dossier terug te vinden is. Ook voert eiser aan dat het hebben van een terugkeerbesluit niet relevant is voor deze grond. Met betrekking tot zware grond 3b stelt eiser dat de melding ‘met onbekende bestemming’ vertrokken ontbreekt in het dossier. Wat betreft zware grond 3c voert eiser aan dat deze grond nooit de reden kan zijn om iemand in bewaring te stellen. Ten aanzien van zware grond 3d stelt eiser dat deze grond nimmer door verweerder is toegelicht en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Ten slotte voert eiser over zware grond 3e aan dat het significante onttrekkingsrisico niet gedragen kan worden door deze grond omdat het eisers recht is om op elk willekeurig moment om internationale bescherming te vragen. Dat dit op een voor verweerder onwelgevallig moment is gedaan maakt dat niet anders. Het enige feit dat eiser meent dat een asielaanvraag is gedaan, is onvoldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen, aldus eiser.
2.2.
Zoals besproken onder rechtsoverweging 1.1. kan verweerder bij de in de maatregel genoemde zware gronden volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3e zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en weliswaar summier maar voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Ten aanzien van zware grond 3a heeft eiser – zoals verweerder in de toelichting heeft vermeld - namelijk zelf verklaard Nederland zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (paspoort), en daarmee niet op de voorgeschreven wijze, te zijn ingereisd. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft vermeld dat eiser zich niet aan de meldplicht heeft gehouden en op 18 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Voor de zitting heeft verweerder nog een beschikking van 24 april 2025 aan het dossier toegevoegd waarin is opgenomen dat eiser op 18 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, zodat de in de maatregel genoemde MOB-melding steun vindt in de stukken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. In de door verweerder in de motivering genoemde beschikking van 24 april 2025 is namelijk een terugkeerbesluit opgenomen en eiser heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. De niet nader toegelichte stelling van eiser dat deze grond nooit een reden kan zijn om in bewaring te stellen, volgt de rechtbank niet, nu deze grond in artikel 5.1b, derde lid, van het Vb is opgenomen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3d zich feitelijk voortdoet, aangezien eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard geen paspoort of andere documenten te hebben die zijn identiteit en nationaliteit kunnen aantonen en geen activiteiten te hebben ondernomen om terug te kunnen gaan en dus geen pogingen heeft gedaan om alsnog in het bezit te komen van een identiteitsdocument. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3e zich feitelijk voortdoet. De stelling van eiser dat hij om internationale bescherming mag vragen is juist, echter wat verweerder met deze grond aan eiser tegenwerpt is dat hij (zoals ook blijkt uit het dossier) bekend staat bij de autoriteiten onder diverse aliassen omdat hij verschillende persoonsgegevens heeft opgegeven.
2.3.
Verweerder heeft dus de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3e aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze vijf zware gronden zijn tezamen (meer dan) voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De lichte gronden behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.