ECLI:NL:RBDHA:2026:2099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL26.1342
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser is op 8 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel is beroep ingesteld, dat tevens geldt als verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 21 januari 2026, waarbij eiser niet aanwezig was maar zijn gemachtigde wel.

Eiser voerde aan dat de afstandsverklaring frauduleus was, dat verweerder onvoldoende inspanningen had geleverd om zijn aanwezigheid bij de zitting te waarborgen, dat de bewaringsgronden niet gegrond waren en dat de overdracht naar Zwitserland te laat had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat de afstandsverklaring geldig was ondanks een kennelijke datumverschrijving, dat verweerder niet verplicht was de overdracht uit te stellen gezien de omstandigheden, en dat de zware bewaringsgronden voldoende waren om de maatregel te dragen.

Verder werd geoordeeld dat de aankondigingstermijn van Zwitserland was gerespecteerd en dat de mededeling van de vlucht aan eiser om medische redenen pas na keuring plaatsvond zonder dat dit zijn belangen schaadde. De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en vond geen onrechtmatigheid in de oplegging van de maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1342

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Eisers gemachtigde is aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Afstandsverklaring
1. Eiser heeft ter zitting bij monde van zijn gemachtigde betoogd dat de afstandsverklaring die zich in het dossier bevindt frauduleus is opgesteld. Daartoe stelt de gemachtigde dat de verklaring is gedateerd op 21 januari 2026, maar dat deze al op 20 januari 2026 aan het dossier is toegevoegd. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat het twijfelachtig is of eiser wist wat hij tekende, omdat de afstandsverklaring geen melding maakt van een vertaling of vertolking van het door eiser getekende document. Bovendien stelt de gemachtigde dat hij eiser een week voor het ondertekenen van de afstandsverklaring heeft bezocht en toen met hem heeft afgesproken dat eiser onder geen beding afstand zou doen van zijn aanwezigheidsrecht. Volgens eisers gemachtigde had er dan ook nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de gang van zaken met betrekking tot de afstandsverklaring dan wel dient dit alsnog plaats te vinden.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een ondertekende afstandsverklaring bevindt waarin is vermeld dat eiser niet voor de zitting van 21 januari 2026 van de Vreemdelingenkamer wenst te verschijnen. Door de gemachtigde van eiser is op de zitting verklaard dat hij de handtekening van de justitiabele op deze afstandsverklaring herkent als de handtekening van eiser. Uit de afstandsverklaring volgt dat eiser zijn verklaring zou hebben afgelegd op 21 januari 2026. Gelet op de omstandigheid dat de afstandsverklaring op 20 januari 2026 is toegevoegd aan het dossier, merkt de rechtbank de vermelde datum van de verklaring van 21 januari 2026 aan als een kennelijke verschrijving. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat sprake is van een bewuste fout. Het ligt niet voor de hand dat de afstandsverklaring in dat geval al op 20 januari 2026 in het dossier zou zijn gevoegd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser niet wist waar hij voor tekende. De verklaring van eisers gemachtigde dat hij een week daarvoor met zijn cliënt heeft afgesproken dat deze geen afstand zou doen, vindt de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan de inhoud van de afstandsverklaring te twijfelen. Eiser kan in een week tijd van standpunt veranderen. Niet gesteld of gebleken is dat de gemachtigde van eiser naar aanleiding van de afstandsverklaring contact met eiser heeft opgenomen om te checken of hij inderdaad afstand van zijn aanwezigheidsrecht wilde doen en heeft gedaan. Er bestaat gelet op dit alles dan ook geen reden om niet van de afstandsverklaring uit te gaan. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor nader onderzoek. De beroepsgrond dat de afstandsverklaring frauduleus is opgesteld slaagt niet.
Aanwezigheidsrecht en inspanningsverplichting
2. Eiser voert aan dat uit niets blijkt dat verweerder tijdig de benodigde inspanningen heeft geleverd om eiser bij de zitting aanwezig te kunnen laten zijn. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2296), waaruit volgens eiser volgt dat verweerder daartoe een inspanningsverplichting heeft.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat gelet op de door eiser ondertekende afstandsverklaring niet valt in te zien dat eiser in zijn belangen is geschaad doordat hij, wegens de geplande overdracht van eiser aan Zwitserland op de dag van de zitting, niet bij de zitting aanwezig kon zijn. Verder overweegt zij over deze beroepsgrond het volgende. Het beroep van eiser op de Afdelingsuitspraak van 10 augustus 2022, slaagt niet. In die uitspraak was sprake van de situatie dat de vreemdeling op de dag van de zitting via land werd overgedragen aan België. De Afdeling heeft overwogen dat van verweerder in dat geval mocht worden verwacht dat hij ten minste zou onderzoeken of de overdracht met enkele uren kon worden uitgesteld zodat de vreemdeling gebruik kon maken van zijn recht om op de telehoorzitting te worden gehoord. In de procedure van eiser is geen sprake van een overdracht via land, maar van een al op 12 januari 2026 geboekte vlucht naar Zwitserland met medische escorts. Gelet daarop en gelet op de aankondigingstermijn van 7 werkdagen en de omstandigheid dat er op 19 en 20 januari 2026 geen overdrachten in Geneve konden plaatsvinden, alles bezien in het licht van de omstandigheid dat verweerder ernaar moet streven de bewaring zo kort mogelijk te laten duren, kon van verweerder niet worden gevergd dat hij de overdracht zou uitstellen om eiser in de gelegenheid te stellen om de zitting bij te wonen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde
lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb, vermeld dat
eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd,
en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3k,
die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de
rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat
eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom
onbesproken blijven.
Te late overdracht en te late mededeling daarvan aan eiser
4. Eiser voert verder aan dat de overdracht te laat heeft plaatsgevonden. Hiertoe voert hij aan dat Zwitserland een aankondigingstermijn van een week hanteert, maar dat eiser nu dertien dagen in vrijheidsontneming heeft doorgebracht voor hij is overgedragen. Daarnaast voert de gemachtigde van eiser aan dat de regievoerder aan hem gevraagd heeft eiser pas op de hoogte te stellen van zijn vlucht na de medische keuring van 20 januari 2026, wat volgens hem betekent dat verweerder cruciale informatie voor eiser achterhoudt.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in bewaring is gesteld op 8 januari 2026, dat op diezelfde dag een vlucht is aangevraagd en dat verweerder op 12 januari 2026 een vluchtakkoord heeft ontvangen. Op 12 januari 2026 is ook aan de Zwitserse autoriteiten aangekondigd dat de overdracht op 21 januari 2026 zou plaatsvinden. Omdat eiser last heeft van medische en psychische problematiek is verweerder in dit geval afhankelijk van de beschikbaarheid van de Koninklijke Marechaussee om een vlucht met medische escorts te boeken. Verder blijkt uit het claimakkoord dat Zwitserland in geval van de overdracht van iemand met fysieke of mentale problemen een aankondigingstermijn van ten minste 7 werkdagen hanteert. Ook blijkt uit de stukken dat, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.1. al is overwogen, er op 19 en 20 januari 2026 geen overdrachten naar Geneve konden plaatsvinden en dat de eerste mogelijkheid voor een overdracht op 21 januari 2026 was. Gelet hierop heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld en de maatregel niet langer laten duren dan strikt noodzakelijk. De rechtbank merkt nog op dat de aankondigingstermijn ziet op de door Zwitserland gewenste termijn waarop een aankondiging van de overdracht van een vreemdeling naar Zwitserland dient plaats te vinden en geen norm bevat voor het al dan niet voortvarend handelen van verweerder. Wat betreft het tijdstip van de mededeling van de vlucht aan eiser, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de vlucht pas aan eiser bekendgemaakt zou worden na zijn medische keuring, om de rust bij eiser te bewaren vanwege zijn psychische toestand (eiser heeft eerder suïcidale uitlatingen gedaan). De rechtbank ziet niet in dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad en ziet gelet op de door verweerder gegeven toelichting geen bezwaren tegen deze gang van zaken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.