ECLI:NL:RBDHA:2026:21005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL26.2778
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 62 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en risico op vervolging

Eiser, een Marokkaanse Riffijn, vroeg asiel aan op grond van politieke activiteiten voor de Parti National Rifain en ondervonden discriminatie. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser zijn identiteit onvoldoende aannemelijk maakte en onvoldoende concrete aanwijzingen gaf dat hij door de Marokkaanse autoriteiten wordt gezocht of vervolgd.

De rechtbank oordeelde dat het door eiser overgelegde identiteitsdocument een fantasiedocument is en dat hij onvoldoende pogingen heeft gedaan om een nieuw paspoort te verkrijgen. Daarnaast waren zijn verklaringen over het begin van zijn problemen met de autoriteiten inconsistent en vaag.

Verder kon eiser niet aannemelijk maken dat hij daadwerkelijk wordt gezocht of dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer. Ook de door eiser aangevoerde discriminatie was onvoldoende onderbouwd om bescherming te rechtvaardigen.

Het terugkeerbesluit werd gehandhaafd omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het onterecht was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2778

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. El Mathari als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979, heeft de Marokkaanse nationaliteit en
behoort tot de bevolkingsgroep van de Riffijnen.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.
Eiser is politiek actief voor de Parti National Rifain. Hij stelt te vrezen voor de Marokkaanse autoriteiten indien hij moet terugkeren naar Marokko omdat hij in Europa politiek actief voor deze partij is. Ook stelt eiser dat hij in Marokko is gediscrimineerd.
Eiser heeft van 2016 tot 2025 illegaal in België gewoond en gewerkt. In België is eiser twee keer fysiek bedreigd door een groep. Volgens eiser zitten de Marokkaanse autoriteiten hierachter. Eiser vreest bij terugkomst in Marokko te zullen worden gedetineerd vanwege zijn politieke uitingen op internet.
Het bestreden besluit
2. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser drie asielmotieven:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eisers politieke overtuiging en de daarmee samenhangende problemen;
3. De door eiser ondervonden discriminatie.
Verweerder gelooft de gestelde nationaliteit en herkomst, maar gelooft de gestelde identiteit niet. Eiser heeft geen enkel identificerend document overgelegd. Eiser heeft gesteld zijn paspoort te zijn kwijtgeraakt, maar heeft geen poging gedaan om aan een nieuw paspoort te komen. Volgens verweerder wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw.
Verder gelooft verweerder dat eiser een politieke overtuiging heeft en dat hij zich inzet voor de Parti National Rifain door middel van livestreams op sociale media en
aanwezigheid bij bijeenkomsten en demonstraties. Niet wordt echter door verweerder gevolgd dat eiser wordt gezocht door de Marokkaanse overheid vanwege zijn politieke
activiteiten. Volgens verweerder wordt ten aanzien van dit asielmotief niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e van de Vw. Aan de filmpjes, die eiser bij de correcties en aanvullingen heeft ingebracht, kan niet de door eiser gewenste waarde worden gehecht. Ook heeft eiser wisselend en vaag verklaard over het moment waarop de problemen die betrekking hebben op zijn politieke overtuiging zijn begonnen. Evenmin heeft eiser concreet kunnen maken dat hij wordt gezocht door de Marokkaanse autoriteiten. Verder werpt verweerder eiser tegen dat hij gedurende negen jaar illegaal verblijf in drie Europese landen niet om internationale bescherming heeft verzocht.
Verweerder laat de geloofwaardigheid van het derde asielmotief (de door eiser ondervonden discriminatie) in het midden. Dit asielmotief geeft volgens verweerder hoe dan ook geen aanleiding tot het verlenen van een asielvergunning.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marokko zal worden vervolgd vanwege zijn politieke activiteiten.
Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Er wordt niet langer een inreisverbod, maar nog wel een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd.
De beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat hij voldoende informatie heeft gegeven om zijn identiteit vast te stellen. Eiser heeft dus een oprechte inspanning geleverd om zijn identiteit aannemelijk te maken. Hij heeft niet alleen een zogeheten ‘fantasiedocument’ (een niet door bevoegde of erkende autoriteiten afgegeven document) in zijn bezit waarmee hij zich zou kunnen identificeren, maar hij heeft verweerder ook andere informatie verstrekt. Verweerder had van deze informatie moeten uitgaan.
Verder heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn politieke overtuiging en de daarmee samenhangende problemen onvoldoende zijn voor verlening van een asielvergunning. Eisers verklaringen zijn samenhangend en aannemelijk.
Eiser heeft onder meer berichten van sociale media ingebracht waaruit blijkt dat hij actief is als politiek activist in Europa voor de Riffijnen in Marokko. Hij heeft aangegeven
waaruit vervolgens die problemen zijn ontstaan vanwege zijn activisme op dit punt. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Marokkaanse autoriteiten. Op grond hiervan had verweerder aan eiser een asielvergunning moeten verlenen.
Ook heeft verweerder de geloofwaardigheid van het derde asielmotief ten onrechte in het midden gelaten. De door eiser gestelde discriminatie moet in verband worden gebracht met zijn politieke overtuiging. Eiser heeft inzichtelijk gemaakt dat er sprake is van ernstige beperkingen van de bestaansmogelijkheden en dat het voor hem onmogelijk zal zijn om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Bij zijn zienswijze heeft eiser hierover ook informatie ingebracht.
Tot slot voert eiser aan dat aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd.
Beoordeling van de beroepsgronden
De identiteit van eiser
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de gestelde identiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden.
Eiser heeft bij zijn asielaanvraag uitsluitend een ‘Republic of Rif identity card’ overgelegd. Dit document is onderzocht door de afdeling Falsificaten van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Uit het proces-verbaal van bevindingen van de KMar van 8 oktober 2026 blijkt onder meer dat het hier gaat om een zogenaamd ‘fantasiedocument’. Dit is een document dat door niet bevoegde dan wel niet erkende autoriteiten is vervaardigd en afgegeven en de indruk wekt door een officiële autoriteit te zijn afgegeven teneinde als reis-, identiteits-
en/of verblijfsdocument te dienen. Eiser heeft de bevindingen in dit proces-verbaal niet gemotiveerd bestreden, maar alleen gesteld dat hij met dit document zijn identiteit zou hebben aangetoond. Verweerder heeft dit onvoldoende kunnen achten.
Uit eisers verklaringen blijkt dat hij in de periode van 1997 tot (ongeveer) 2006 in het bezit is geweest van een Marokkaans paspoort en dat hij dit document is kwijtgeraakt. Verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser in de periode van 2006 (het moment waarop eiser zijn paspoort zou zijn verloren) tot 2016 (het moment waarop hij vanuit Marokko naar Europa is vertrokken) geen inspanningen heeft verricht om aan een nieuw paspoort te komen.
Ook heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd over de reden waarom hij - naar eigen zeggen - geen nieuw paspoort heeft kunnen aanvragen. Zo heeft eiser verklaard dat hij geen paspoort kon aanvragen omdat in 2016 de ellende en demonstraties zijn begonnen en dat hij de voor dit document benodigde verklaring omtrent gedrag niet kon verkrijgen. Later in het gehoor heeft eiser echter verklaard dat de problemen pas zijn begonnen toen hij in Spanje verbleef en dat hij in Marokko zelf geen problemen heeft ondervonden. Verweerder heeft van eiser kunnen verlangen dat hij dan in Marokko pogingen zou hebben ondernomen om aan een nieuw paspoort te komen.
Eisers politieke overtuiging en de daarmee samenhangende problemen
4.2.
Verweerder gelooft dat eiser actief is voor de Parti National Rifain. Verweerder gelooft echter niet dat eiser problemen heeft met de Marokkaanse autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op dit standpunt gesteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.3.
Verweerder heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser wisselend en vaag heeft verklaard over het moment waarop zijn problemen vanwege zijn politieke activiteiten zijn begonnen. Zo heeft eiser in eerste instantie verklaard dat zijn problemen al in Marokko zijn begonnen en dat hij toen ook niet aan een verklaring omtrent gedrag heeft kunnen komen (pagina 4 NG). Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij in 2023 problemen heeft gekregen, toen hij actief was geworden op TikTok en dat zijn broer in mei of juli 2024 is aangehouden en dat hij vanaf dat moment werd gezocht (pagina 8 NG). Onduidelijk is gebleven hoe eiser wist dat hij vanaf 2023 door de Marokkaanse autoriteiten werd gezocht. Toen de gehoormedewerker tijdens het gehoor vroeg hoe eiser wist dat hij werd gezocht, heeft eiser verklaard dat hij het van zijn broer hoorde nadat hij in Marokko was ondervraagd. Nu dit in de zomer van 2024 is gebeurd, is niet duidelijk geworden hoe eiser wist dat hij al
vanaf 2023 werd gezocht.
Verder heeft eiser verklaard dat er in 2021 tien jaar cel tegen hem zou zijn geëist. Dit betekent dat eiser dus al vóór 2023 (en voor zijn aansluiting bij de Parti National Rifain) problemen zou hebben gehad met de Marokkaanse autoriteiten wat niet in overeenstemming is met zijn eerdere verklaringen.
4.4.
Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk wordt gezocht door de Marokkaanse autoriteiten.
Eiser heeft tijdens het gehoor verklaard dat hij eind 2023/begin 2024 en begin 2025 in Brussel is belaagd en bedreigd door mensen van de Marokkaanse overheid. Bij het eerste incident zouden vijf mannen naar eiser toe zijn gekomen en bij het tweede incident zouden twee mannen eiser hebben bedreigd. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat eiser er niet in geslaagd is om een causaal verband tussen deze twee incidenten en de Marokkaanse overheid aannemelijk te maken. Toen eiser tijdens het gehoor werd gevraagd hoe hij wist dat deze mannen door de Marokkaanse overheid waren gestuurd, heeft eiser verklaard dat hij tijdens livestreams vaak is bedreigd door mensen die zeiden dat ze de regering op hem af zouden sturen. Verweerder heeft dit als onvoldoende concreet aanknopingspunt kunnen zien om aan te nemen dat de mensen die eiser hebben belaagd door de Marokkaanse overheid zijn gestuurd. Verder blijkt uit eisers verklaringen niet dat de belagers zichzelf kenbaar hebben gemaakt als zijnde medewerkers van de Marokkaanse overheid. Dat deze belagers wel afkomstig zouden zijn van de Marokkaanse overheid heeft eiser enkel op aannames gebaseerd. Eiser is op deze tegenwerpingen niet gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft verklaard dat er mensen zouden zijn die samenwerken met de Marokkaanse autoriteiten en internetpagina’s over eiser maken met zijn foto’s erop. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Marokkaanse autoriteiten hierachter zitten.
Tijdens het nader gehoor (pagina 8 NG) en op de zitting heeft eiser verklaard dat hij van zijn broer heeft gehoord dat de Marokkaanse autoriteiten bij eisers familie (broer en moeder) in Marokko zijn langs geweest. Eiser heeft dit echter niet onderbouwd zodat eiser ook hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Marokkaanse autoriteiten daadwerkelijk naar hem op zoek zijn.
4.5.
Ook heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de door eiser ingebrachte video’s met de gestelde bedreigingen niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd wat nu concreet uit deze video’s zou blijken. Ook ter zitting heeft eiser dit niet kunnen specificeren. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat deze video’s te weinig bewijswaarde hebben om te kunnen bijdragen aan de stelling dat de Marokkaanse autoriteiten naar hem op zoek zijn. De door eiser overgelegde foto’s leiden niet tot een ander oordeel, nu ook daaruit niet concreet kan worden afgeleid dat de Marokkaanse autoriteiten naar eiser op zoek zijn.
4.6.
Ook heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser vaag heeft verklaard over de celstraf die hem boven het hoofd zou hangen. Eiser heeft eerst verklaard (pagina 10 NG) dat hij via Facebook of TikTok contact heeft gehad met iemand die hem heeft verteld dat hem tien jaar gevangenisstraf te wachten zou staan. Vervolgens heeft eiser verklaard (pagina 10 NG) dat hij niet zeker weet of hem een celstraf staat te wachten.
4.7.
Verder heeft verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief niet ten onrechte betrokken dat eiser gedurende negen jaar illegaal in een aantal Europese landen (o.a. Spanje, Duitsland en België) heeft verbleven en dat hij die periode geen asiel heeft aangevraagd. De rechtbank is het met verweerder eens dat hieruit niet de noodzaak van asielrechtelijke bescherming blijkt.
4.8.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het tweede asielmotief niet geloofwaardig is.
De beroepsgronden slagen niet.
De zwaarwegendheid
5.1.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn activiteiten voor de Parti National Rifain zal worden vervolgd dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
Verweerder heeft in het voornemen onder meer gewezen op rapporten van Unites States Department of State over de jaren 2022 en 2023 waarin de Rif-beweging niet meer wordt genoemd. Uit meer recente openbare landeninformatie blijkt dat de informatie die er wel is over de Rif-beweging met name betrekking heeft op de lange gevangenisstraffen die in het verleden aan tientallen Rif-activisten zijn opgelegd. Verder heeft verweerder onder meer gewezen op een artikel uit de NRC van 22 augustus 2018 waarin staat vermeld dat op 21 augustus 2018 gratie is verleend door de koning aan 188 reeds veroordeelde Rif-activisten, waaronder elf personen die eind juni 2018 werden veroordeeld.
In de aanvullende zienswijze van 8 januari 2026 heeft eiser nog gewezen op informatie uit 2024 van - onder meer - Human Rights Watch en Freedom House. Deze informatie ziet echter vooral op activisten die een prominente rol hebben en/of leider zijn binnen de partij. Eiser betwist niet dat hij geen leidende rol heeft binnen de partij. Eiser is weliswaar politiek actief op sociale media, maar zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ondervonden van de kant van de Marokkaanse autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten.
De ondervonden discriminatie
5.2.
Verweerder heeft in het midden gelaten of het asielmotief ‘de ondervonden discriminatie’ geloofwaardig is en dit aspect direct op de zwaarwegendheid getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder verrichte beoordeling in overeenstemming met paragraaf C1/4.1 onder 5 en 6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en niet is gebleken dat eiser daardoor is benadeeld.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de hem ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op
maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser heeft in Marokko een woning gehad en er bestond een mogelijkheid om een paspoort aan te vragen. Ook heeft eiser in Marokko onderwijs genoten. Daarnaast had hij in zijn land toegang tot de medische zorg en de arbeidsmarkt. De rechtbank verwijst in dit verband naar eisers verklaringen op pagina 23 en 24 van het rapport van het nader gehoor. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege discriminatie te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
De beroepsgronden slagen niet.
Het terugkeerbesluit
6. In de gronden is namens eiser ook opgemerkt dat ten onrechte een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. In het voornemen heeft verweerder het terugkeerbesluit gebaseerd op artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat er volgens hem een risico op onderduiken bestond. Ook heeft verweerder in het voornemen bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk diende te verlaten en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Naar aanleiding van de zienswijze van eiser heeft verweerder dit standpunt in het bestreden besluit niet langer gehandhaafd maar wel met toepassing van artikel 62, eerste lid, van de Vw een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd en bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken dient te verlaten. Nu verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen en eiser niet nader heeft gemotiveerd waarom het terugkeerbesluit ten onrechte is opgelegd, slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolg

7. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.