ECLI:NL:RBDHA:2026:21006

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL20.22241
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. Paffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding wegens kennelijk gegrond beroep asielaanvraag

Verzoeker diende op 3 februari 2020 een asielaanvraag in. Na een eerste afwijzing en een tweede afwijzing als kennelijk ongegrond, stelde verzoeker beroep in tegen deze laatste beschikking. De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep op 15 september 2022 gegrond en beval de minister binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Zowel verzoeker als de minister gingen in hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak, die op 23 mei 2025 het hoger beroep ongegrond verklaarde en de eerdere uitspraak bevestigde.

Verzoeker stelde vervolgens op 11 juni 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De minister nam op 23 september 2025 alsnog een besluit, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelde dat de minister niet binnen de gestelde termijn had beslist en daarmee aan verzoeker tegemoet was gekomen.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe en stelde de kosten vast op €467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor 'licht', omdat het beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit. De uitspraak werd gedaan door rechter M.J. Paffen op 23 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.22241

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G. van Reemst)
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 3 februari 2020 een asielaanvraag gedaan. Op 2 juni 2021 is verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder heeft de asielaanvraag op 28 september 2021 voor een tweede keer afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen deze beschikking heeft eiser op 29 september 2021 beroep ingesteld.
Op 15 september 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Verweerder en verzoeker hebben op 22 september 2022 tegen deze uitspraak hoger beroep ingediend bij de Afdeling [2] . Tevens heeft verweerder de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen zodat de uitspraak van de deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 september 2022 niet hoeft te worden uitgevoerd.
De Afdeling heeft op 1 november 2022 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op 23 mei 2025 heeft de Afdeling de hoger beroepen ongegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 september 2022 bevestigd.
Verzoeker heeft op 11 juni 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 3 februari 2020. Op 23 september 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag. Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [3] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [4] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu de Afdeling de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 september 2022 heeft bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening van verweerder heeft afgewezen, is de beslistermijn van acht weken na de uitspraak van 15 september 2022 in stand gebleven. Daarbij is geen nieuwe ingebrekestelling vereist, aangezien de bestuursrechter in de uitspraak van 15 september 2022 een uitdrukkelijke termijn heeft gesteld voor het nemen van een (nieuw) besluit.
3. Aangezien verweerder niet binnen de geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Besluit proceskosten bestuursrecht.