ECLI:NL:RBDHA:2026:21018

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36379
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 1 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het vooronderzoek gesloten op 8 juli 2026.

De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 15 april 2026, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd, waardoor de toetsing beperkt blijft tot een ambtshalve beoordeling op basis van de rechtmatigheidsvoorwaarden en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister meerdere vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en herhaaldelijk contact heeft gezocht met de autoriteiten van Sierra Leone over de aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat het zicht op uitzetting ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.

Ook is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement of het belang van het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de verwijdering. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36379

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser ], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het vooronderzoek op 8 juli 2026 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18968) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 15 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 15 april 2026 tot 8 juli 2026.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. De toetsing door de rechtbank is daarom beperkt tot een ambtshalve toetsing van de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, zoals die volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858). Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarbij betrekt zij het volgende. Uit de overgelegde voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 22 april 2026, 24 april 2026, 27 april 2026 en 29 april 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Verder was voor eiser op 23 april 2026 een presentatie gepland bij de autoriteiten van Sierra Leone, maar eiser is daar niet verschenen. Verweerder heeft daarnaast op 23 april 2026, 15 mei 2026, 4 juni 2026 en 26 juni 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de autoriteiten van Sierra Leone over de lopende aanvraag om afgifte van een laissez-passer (lp). Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op deze gang van zaken, geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting naar Sierra Leone ontbreekt of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
4. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.