ECLI:NL:RBDHA:2026:21050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
C/09/23/90 F en C/09/23/91 F
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 FwArt. 68 lid 2 sub c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep inzake toezicht en onderzoek boedelactiva in faillissement

Bij vonnis van 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in het hoger beroep van 4ML B.V. tegen een beschikking van de rechter-commissaris in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. Appellante verzocht onder meer om nader onderzoek en toezicht op de curator en rechter-commissaris met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) en mogelijke boedelactiva.

De rechtbank oordeelde dat verzoeken die zien op toezicht houden door de rechter-commissaris niet ontvankelijk zijn, omdat artikel 69 Faillissementswet Pro (Fw) niet voorziet in het afdwingen van toezicht op het toezicht. Het verzoek tot nader onderzoek naar de omvang en afbakening van de IE-rechten, waaronder de verfproducten RWP100 en RWP203, werd wel ontvankelijk verklaard maar uiteindelijk afgewezen wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor onregelmatigheden of schade aan de boedel.

De curator had uitgebreid onderzoek verricht, waaronder chemisch vergelijkend onderzoek en accountantsonderzoek, waaruit bleek dat RWP203 niet gelijk is aan RWP100 en dat er geen omzet of schade was vastgesteld bij de gelieerde vennootschap [bedrijf 3] B.V. De rechtbank benadrukte dat kosten en baten van onderzoek moeten worden afgewogen en dat theoretische bezwaren onvoldoende zijn om nader onderzoek te gelasten.

De rechtbank vernietigde de beschikking van de rechter-commissaris voor zover deze besliste over de niet-ontvankelijkheid, verklaarde appellante niet-ontvankelijk in de meeste verzoeken en wees het verzoek tot nader onderzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart appellante niet-ontvankelijk in de meeste verzoeken en wijst het verzoek tot nader onderzoek af wegens onvoldoende concrete aanwijzingen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
insolventienummers: C/09/23/90 F en C/09/23/91 F
Beschikking van 21 juli 2026
in de faillissementen van:
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1] B.V., en
[bedrijf 2] B.V.,
beide statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gefailleerden,
is hoger beroep ingesteld tegen de op 7 mei 2026 door de rechter-commissaris gegeven beschikking ex artikel 69 Faillissementswet Pro (Fw) door:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
4ML B.V.,
gevestigd te Zandvoort,
advocaat: mr. M.A. Poelman,
appellante.

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
Bij vonnis van 4 april 2023 zijn gefailleerden failliet verklaard. Tot rechter-commissaris is, laatstelijk, mr. R. Cats benoemd. Laatstelijk is mr. E.A.H. ten Berge, advocaat te Den Haag, als curator aangesteld.
1.2.
Bij e-mail van 28 april 2026 heeft appellante op grond van artikel 69 Fw Pro de rechter-commissaris verzocht om:
1. de curator te laten toelichten op welke wijze is vastgesteld dat de doorontwikkeling (RWP203 en varianten) geen onderdeel uitmaakt van de boedel;
2. te laten onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn ter veiligstelling van mogelijke boedelactiva (waaronder intellectueel eigendom en documentatie);
3. te beoordelen in hoeverre verhaalsmogelijkheden op bestuurders van [bedrijf 3] B.V., zoals genoemd in het kader van de Garantstellingsregeling Curatoren, worden betrokken bij de boedelafwikkeling;
4. te beoordelen of voortzetting van het verkooptraject van de IE-rechten onder deze omstandigheden verantwoord is;
5. de curator te laten toelichten welke procedurele waarborgen zijn getroffen om belangenverstrengeling en gelieerde transacties bij de verkoop van de IE-rechten te voorkomen;
6. inzicht te geven in de wijze waarop de identiteit van (potentiële) bieders en de uiteindelijke koper wordt geverifieerd, waaronder het vaststellen van UBO’s en eventuele banden met (voormalige) bestuurders of gelieerde vennootschappen;
7. te bevestigen of en hoe wordt uitgesloten dat de koper direct of indirect gelieerd is aan partijen die betrokken zijn (geweest) bij [bedrijf 2] [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 3] B.V.;
8. te beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld een onafhankelijk dataroomproces, disclosureverplichtingen of een fairness check) om een transparant en marktconform verkoopproces te waarborgen.
1.3.
Bij beschikking van 7 mei 2026 heeft de rechter-commissaris de verzoeken afgewezen.
1.4.
Tegen deze beschikking heeft appellante, aanvankelijk zonder advocaat, op 10 mei 2026 hoger beroep ingesteld.
1.5.
Op 5 juni 2026 heeft de rechtbank appellante een termijn van vijf dagen gegeven om het beroepschrift alsnog door een advocaat te laten indienen.
1.6.
Op 10 juni 2026 is door mr. Poelman een beroepschrift ingediend.
1.7.
Het hoger beroep is op 30 juni 2026 behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- [naam 1] , namens de curator,
- [naam 2] , namens appellante, en
- mr. Poelman.
1.8.
De rechtbank maakt verder melding van de ontvangst van:
- de e-mail met bijlagen van [naam 2] van 20 mei 2026,
- de e-mail met bijlage van mr. Poelman van 28 juni 2026, en
- de reactie op het beroepschrift van 29 juni 2026 van de curator.

2.Het geschil

Het standpunt van appellante

2.1.
Appellante heeft in hoger beroep verzocht:
1. de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen;
2. te oordelen dat de afwijzing onvoldoende kenbaar en controleerbaar is gemotiveerd;
3. te bepalen dat nadere toetsing dient plaats te vinden van de omvang, afbakening en doorontwikkeling van de intellectuele eigendomsrechten;
4. de curator te verplichten inzicht te geven in:
a. de afbakening van het tot de boedel behorende intellectuele eigendom;
b. de positie van de doorontwikkeling RWP203;
5. alsmede de toetsing op bestuurdersaansprakelijkheid, paulianeus handelen, zorgplicht t.a.v. de administratie-/informatieplicht van bestuurder;
6. en alle in het artikel 69 Fw Pro alsmede ook in het beroepschrift gestelde vragen te beantwoorden.
2.2.
Aan het beroep legt appellante het volgende ten grondslag. De echtgenoot van [naam 2] , [naam 3] , heeft een verfformule zonder de toevoeging van titaniumdioxide uitgevonden, te weten RWP100. Dit product is op enig moment verbeterd en heet sindsdien RWP203. Naar het oordeel van appellante behoren RWP100, RWP203 en alle daarop rustende IE-rechten tot de boedel. De curator heeft besloten over te gaan tot de verkoop van de IE-rechten, het belangrijkste actief van de boedel, en daartoe behoort, volgens de curator, RWP203 niet; de curator wil althans enkel RWP100 verkopen. Daartegen verzet appellante zich en zij stelt zich op het standpunt dat de boedel door onttrekking van RWP203 in hoge mate benadeeld wordt. Volgens haar is immers evident dat RWP203 ook tot de boedel behoort en dat dit product niet los is te zien van RWP100. In dat verband wijst appellante op een drietal stukken:
1. een e-mail van de voormalig bestuurder van gefailleerden, [naam 4] , van 27 juli 2022 waaruit zou blijken dat RWP2023 een aangepast product is dat niet los is te zien van RWP100;
2. het Nebest-rapport van 24 januari 2024 waaruit volgt dat RWP100 en RWP203 dezelfde organische componenten bevatten en op slechts drie punten verschillen, waaronder op het punt dat RWP100 wél titaniumdioxide bevat en RWP2023 niet;
3. een verklaring van de (oud-)bestuurders van gefailleerden waarin zij verklaren “
de formule RWP203 niet in hun bezit te hebben”, wat naar het oordeel van appellante ongeloofwaardig is.
2.3.
Bovendien bevat de afwijzing van de rechter-commissaris op het art.69-verzoek geen kenbare inhoudelijke beoordeling en daarin wordt hoofdzakelijk verwezen naar algemene conclusies van de curator dat na onderzoek geen onregelmatigheden zijn geconstateerd en geen inbreuken zijn vastgesteld, aldus appellante.
Het standpunt van de curator
2.4.
De curator heeft in zijn reactie op het beroepschrift geconcludeerd tot afwijzing van het beroep en legt hieraan ten grondslag dat na grondig onderzoek, waaronder technisch laboratoriumonderzoek, onvoldoende is gebleken dat de verfformule RWP203 hetzelfde is als RWP100, waarna de curator heeft besloten de IE-rechten van gefailleerden die wél kenbaar tot de boedel behoren, te weten RWP100, te koop aan te bieden. De curator streeft immers naar boedelmaximalisatie en het is zijn kerntaak om actief dat tot de boedel behoort te gelde te maken. Uit het onderzoek van de curator is niet gebleken van inbreuken op of verduistering van IE-rechten. Evenmin heeft de curator kunnen vaststellen dat sprake is van enige onrechtmatige doorontwikkeling in de gelieerde vennootschap [bedrijf 3] B.V. door (oud-)(middellijk) bestuurders van gefailleerden en/of aan gefailleerden gelieerde vennootschappen van door gefailleerden ontwikkelde IE-rechten. Voorts heeft de curator een accountantsonderzoek bij [bedrijf 3] B.V. laten plaatsvinden, waarbij onder meer is onderzocht of [bedrijf 3] B.V. omzet gerealiseerd heeft met enig verfproduct vanaf de datum van oprichting van [bedrijf 3] B.V. Hieruit is niet gebleken van enige door [bedrijf 3] B.V. behaalde omzet en derhalve ook niet van schade voor gefailleerden. Bovendien heeft [naam 5] , bestuurder van [bedrijf 3] B.V., verklaard dat RWP203 is ontwikkeld binnen [bedrijf 3] B.V. en niet binnen gefailleerden.
2.5.
Ten aanzien van de verkoop ziet de curator geen bezwaar om de activa te verkopen aan een aan gefailleerden gelieerde partij, zoals [bedrijf 3] B.V. De curator heeft geen onregelmatigheden geconstateerd in het door hem verrichte rechtmatigheidsonderzoek die aan een dergelijke verkoop in de weg staan. Bovendien heeft de curator [naam 2] namens appellante ook uitgenodigd deel te nemen aan het biedingstraject en is een notaris ingeschakeld om toezicht te houden, waarmee de objectiviteit van het biedingstraject voldoende was gewaarborgd.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 69, eerste lid, Fw luidt:
Iedere schuldeiser, de schuldeiserscommissie en ook de gefailleerde kunnen door het indienen van een verzoek tegen elke handeling van de curator bij de rechter-commissaris opkomen, of van deze een bevel uitlokken, dat de curator een bepaalde handeling verrichte of een voorgenomen handeling nalate. Niettemin staat geen beroep open tegen de beslissing van de curator om al dan niet melding of aangifte van onregelmatigheden te doen, als bedoeld in artikel 68, tweede lid, onder c.
3.2
Met de procedure van artikel 69 Fw Pro heeft de wetgever specifieke categorieën schuldeisers invloed toegekend op het beheer van de failliete boedel. Wanneer deze schuldeiser meent dat bij het beheer van de boedel door de curator fouten worden gemaakt, kan zij zich tot de rechter-commissaris richten met het verzoek de curator te gebieden de vermeende fouten te herstellen of te voorkomen. Het verzoek dient betrekking te hebben op de belangen van álle schuldeisers en is uitdrukkelijk niet bedoeld om de persoonlijke rechten van een individuele schuldeiser tegenover de boedel geldend te maken. De procedure is geenszins bedoeld om die schuldeiser in de gelegenheid te stellen op eenvoudige wijze aan haar persoonlijk toekomende rechten tegenover de boedel geldend te maken.
3.3
Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat het de curator is die het faillissement behandelt en afwikkelt en dat de rechter-commissaris daarop toezicht houdt. Dat is niet de taak of de bevoegdheid van de individuele schuldeiser. Evenmin is het de taak van de individuele schuldeiser om toezicht te houden op de wijze waarop de rechter-commissaris toezicht houdt.
3.4
Hoewel het een individuele schuldeiser niet verboden is de aandacht van de rechter-commissaris ergens op te vestigen of hem een vingerwijzing te geven, verandert dat niets aan het primaat van het toezicht. De bevoegdheid van artikel 69 Fw Pro kan niet gebruikt worden om de rechter-commissaris te verplichten diens toezicht op de door de betreffende schuldeiser voorgestane manier uit te oefenen. Verzoeken die daartoe strekken hebben geen basis in de wet, zodat een schuldeiser daarin niet zal kunnen worden ontvangen.
3.5
In dit geval strekken de verzoeken onder 3, 4 en 8 uit het art.69-verzoek van 28 april 2026 er toe de rechter-commissaris een drietal punten te laten beoordelen. Voor zover de rechter-commissaris wordt gevraagd iets te beoordelen, geldt hetgeen hiervoor werd overwogen: het is niet aan appellante om toezicht te houden op het toezicht van de rechter-commissaris. Evenmin wordt een bevel aan de curator gevraagd, maar een handeling van de rechter-commissaris zelf. Daar ziet artikel 69 Fw Pro nadrukkelijk niet op. In zoverre is appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek.
3.6
In het verzoek onder 1 en 5 wordt de rechter-commissaris verzocht “
de curator iets te laten toelichten”. Hoewel deze verzoeken lijken te zien op een bevel aan de curator, zien deze punten in wezen ook op de wijze waarop de rechter-commissaris toezicht moet houden. Het is de rechter-commissaris die voor de uitvoering van zijn toezichthoudende taak bepaalt over welke onderwerpen hij (zo nodig aanvullend) moet worden voorgelicht en op welke wijze en hoe gedetailleerd dat gebeurt. Dat is niet aan een individuele schuldeiser. Voor zover appellante bedoelt zelf iets toegelicht te willen zien, behartigt ze daarmee haar eigen belangen. Zoals overwogen is artikel 69 Fw Pro daarvoor niet bedoeld. Ook op deze onderdelen dient appellante niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.7
De verzoeken onder 6 en 7 strekken ertoe dat de rechter-commissaris inzicht geeft en bevestigt. Deze verzoeken zijn in zoverre een combinatie van de verzoeken uit r.o. 3.5. en 3.6: enerzijds zijn ze er niet op gericht de curator een bevel te laten geven, maar vragen een handeling van de rechter-commissaris, anderzijds zijn ze gericht op informatie voor appellante, een persoonlijk belang. Deze verzoeken vallen dan ook buiten de reikwijdte van artikel 69 Fw Pro, zodat appellante daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.8
Voor zover de rechter-commissaris op die punten besliste, maar appellante [niet] niet-ontvankelijk verklaarde, zal de rechtbank dat alsnog doen.
3.9
Het verzoek onder 2 strekt ertoe de curator te bevelen te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn ter veiligstelling van mogelijke boedelactiva (waaronder intellectueel eigendom en documentatie). Dit verzoek ziet op een bevel aan de curator en kan geduid worden als dienend een algemeen boedelbelang. In dit verzoek is appellante terecht ontvangen.
3.1
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de rechter-commissaris het gevraagde bevel diende te geven. Strikt gelezen ziet het verzoek op een onderzoek naar conservatoire maatregelen. Het verzoek welwillend lezend, zoals ook de rechter-commissaris blijkens zijn beschikking heeft gedaan, mede gezien de gronden van het hoger beroep, begrijpt de rechtbank dat verzocht wordt de curator nader onderzoek naar het boedelactief – kort gezegd – in de vorm van RWP100 en RWP203 te laten doen en zo nodig maatregelen te treffen in het belang van de boedel. Dat lijkt de kern van de materiële kwestie, waarvoor appellante de aandacht vraagt. Voor ander boedelactief zijn geen aanknopingspunten in de stellingen of in de voorhanden stukken, zodat voor een bredere duiding van het verzoek geen grond is.
3.11
Niet in geschil is dat een vergelijkend chemisch onderzoek is gedaan naar enerzijds wat RWP100 zou zijn, de vondst van [naam 3] , en anderzijds een (verf)stof die gekocht zou zijn via een aan [bedrijf 3] B.V. gelieerde zakenpartner (NebestCOT, 24 januari 2024, Vergelijkend onderzoek naar twee verfpoeders, FT-IR en SEM/EDX analyse (productie 8)). Die onderzochte stoffen zijn niet hetzelfde gebleken, juist op het springende punt van de titaniumdioxide. Appellante heeft dat proberen te verklaren door aan te voeren dat de door (tussenkomst van) [naam 2] aangeleverde RWP100 afkomstig zou zijn van een batch met een ingrediënt dat niet titaniumdioxidevrij bleek. Die verklaring laat echter onverlet dat er geen rapport is waaruit blijkt dat de bedoelde stoffen dezelfde zijn. Daarbij komt dat de stukken die zouden onderbouwen dat de RWP100 van een – kort gezegd – vervuilde lading is (een e-mailwisseling van [naam 2] , namens (thans) gefailleerde [bedrijf 2] B.V., met de leverancier, beginnend met een bericht van maandag 25 oktober 2021 (productie 9)) van ruim voor het onderzoek en zelfs van voor faillissement zijn en daarmee de vraag oproepen waarom voor het vergelijkend onderzoek een stof is aangeleverd waarvan tevoren bekend was dat die afbreuk zou doen aan de relevantie van het resultaat.
3.12
Voorts heeft de curator accountantsonderzoek laten uitvoeren, waaruit blijkt dat [bedrijf 3] B.V. geen omzet heeft gerealiseerd. Er zouden dan ook onvoldoende aanknopingspunten zijn dat gefailleerden schade zouden hebben geleden door inbreuk op haar rechten door [bedrijf 3] B.V., zodat er geen voor de boedel te behartigen belang is dat door aanvullend onderzoek gediend zou worden. Concrete gegevens die tot een andere conclusie zouden moeten leiden, zijn door appellante niet naar voren gebracht.
3.13.
Bij de beoordeling van de vraag of aanvullend onderzoek of aanvullende maatregelen nodig zijn, heeft de rechter-commissaris in het bijzonder de belangen van de boedel te wegen. Een principiële of theoretische exercitie zal zelden het boedelbelang dienen. Onderzoek door de curator en rechtsmaatregelen brengen immers kosten met zich, die in elk geval in zekere mate hun rechtvaardiging moeten vinden in de te verwachten opbrengst. Nu voor de inbreuk op de rechten van gefailleerden en voor daaruit voortvloeiende schade na onderzoek – zelfs na chemisch vergelijkend onderzoek – onvoldoende aanknopingspunten zijn gevonden, heeft de rechter-commissaris terecht het art.69-verzoek op dit punt afgewezen en geen onderzoek naar boedelactief of maatregelen bevolen.
3.14
De pijn lijkt te zitten in een brief van 2022 (zie onder r.o. 2.2., punt 1), die thans het enige mogelijke concrete aanknopingspunt vormt voor de beantwoording van de vraag of aanvullend onderzoek dan wel een procedure aangewezen is. In die brief gaat het over de in gefailleerden ontwikkelde titaniumdioxidevrije formule RWP100 en daarna RWP203. Dat daar mogelijk een aanknopingspunt is gelegen, is echter, in het licht van het overige verrichte onderzoek en beschikbare gegevens (zoals de ontkenning van de oud-bestuurders van gefailleerden (zie onder r.o. 2.2, punt 3)) en van de afwegingen die gemaakt moeten worden over het al dan niet procederen over de boedelbestanddelen, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat geldt niet anders als, zoals ter zitting geopperd, uit het accountantsonderzoek naar [bedrijf 3] B.V. zou blijken dat er geen onderzoeks- en ontwikkelingskosten (R&D) zijn opgenomen in de boeken van die vennootschap.
3.15
Dat zal mogelijk moeilijk te rijmen zijn met de overtuigingen en te verenigen zijn met eventuele teleurstellingen van [naam 3] als uitvinder of van [naam 2] als bestuurder van appellante en (voormalig) betrokkene bij gefailleerden. Ook zij zijn echter door de faillissementen terechtgekomen in de situatie waarin de beslissingen genomen worden door de curator (en, waar voorgeschreven, door de rechter-commissaris) en als afwegingen in het kader van de vereffening van de boedels. Kosten, baten en slagingskansen spelen daarin een hoofdrol.
3.16
Voor de volledigheid overweegt de rechtbank dat nu nader onderzoek of maatregelen niet bevolen zullen worden, hetzelfde geldt voor maatregelen ter veiligstelling van mogelijke boedelactiva (waaronder intellectueel eigendom en documentatie). Voor zover in hoger beroep meer of anders wordt verzocht dan in het art.69-verzoek, zijn die verzoeken buiten de orde.
3.17
De rechtbank zal het hoger beroep ten aanzien van het verzoek onder 2 afwijzen en, de beslissing van de rechter-commissaris vernietigend, appellante met betrekking tot de overige verzoeken niet-ontvankelijk verklaren.
3.18
Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

4.De beslissing

De rechtbank:
- vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van 7 mei 2026 voor zover daarin is beslist op de punten 1 en 3 tot en met 8 van het verzoek van 28 april 2026 en, opnieuw rechtdoende, verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar verzoek voor zover dat betrekking heeft op die punten;
- verklaart het beroep voor zover dat betrekking heeft op punt 2 van het verzoek van 28 april 2026 ongegrond;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is een beslissing van mr. G.H.M. Smelt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.