ECLI:NL:RBDHA:2026:21052
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens geen weigering vertrek naar Bulgarije
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan een Syrisch gezin op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van deze maatregel en de toekenning van schadevergoeding.
Eisers werden in bewaring gesteld met het oog op hun uitzetting naar Bulgarije. Zij stelden dat de vlucht op 23 juni 2026 was geannuleerd vanwege ziekenhuisopname van de moeder, waardoor geen sprake was van weigering tot vertrek maar van overmacht. De rechtbank stelde vast dat eisers tijdens vertrekgesprekken hadden verklaard mee te zullen werken aan terugkeer en dat zij klaar waren voor vertrek. De minister kon niet aantonen dat sprake was van bewuste frustratie van de overdracht.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig was vanaf het moment van oplegging en beval onmiddellijke opheffing. Tevens kende zij een schadevergoeding toe van €1.200,- voor tien dagen onrechtmatige bewaring en een proceskostenvergoeding van €1.868,- aan eisers. De uitspraak is openbaar en bevat informatie over hoger beroep.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eisers ontvangen schadevergoeding en proceskosten.