ECLI:NL:RBDHA:2026:21058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40717
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b lid 1 onder b VwArt. 59b lid 1 onder e VwArt. 56 lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De minister van Asiel en Migratie heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is genomen vanwege het risico dat eiser zich zou onttrekken aan het toezicht en de procedure, mede omdat hij eerder niet aan vertrekverplichtingen heeft voldaan en niet aan meldplicht.

Eiser betoogt dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat vreemdelingenbewaring als ultimum remedium geldt en hij zich nu aan de voorwaarden zal houden, onder meer door verblijf bij zijn vader en het voornemen een asielaanvraag in te dienen. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is om het onderduikrisico te voorkomen.

De rechtbank stelt vast dat de gronden voor de maatregel niet zijn betwist en voldoende zijn toegelicht. Er is geen sprake van onrechtmatigheid of disproportionaliteit van de maatregel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt ook geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40717

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 22 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 juli 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag (b-grond) en dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan (e-grond).
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet zijn betwist door eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Dit maakt dat een risico op onderduiken gegeven is.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat vreemdelingenbewaring als ultimum remedium geldt. Dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken, maakt niet dat er reden is om aan te nemen dat dit nu weer het geval zal zijn. Hij zal meewerken aan de voorwaarden en gedurende de meldplicht verblijven bij zijn vader in [plaats] , waardoor hij traceerbaar zal zijn. Ook is hij voornemens een asielaanvraag in te dienen en dan kan hij in een AZC [2] verblijven gedurende de asielprocedure.
4. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. De enkele stelling dat hij zich nu aan de voorwaarden zal houden doet niet af aan het risico op onderduiken. Daarbij is verder van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken uit de VBL. [3] Tot slot is ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken voor eiser.
Ambtshalve toets
5. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Asielzoekerscentrum.
3.Vrijheidsbeperkende locatie.