ECLI:NL:RBDHA:2026:21068

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL26.38023 en NL26.38024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 KwalificatieverordeningVerordening 2024/1347Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen kennelijk ongegronde asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en motieven

Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende op 16 juni 2026 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 4 juli 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen geloofwaardige identiteit kon aantonen en zijn asielmotieven onvoldoende onderbouwd waren.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 22 juli 2026. Eiser was niet aanwezig, hoewel transport beschikbaar was; hij had afstand gedaan van zijn aanwezigheid. De rechtbank beoordeelde de geloofwaardigheid van eiser, die onder meer geen identiteitsdocumenten overlegde, een alias gebruikte in een eerdere procedure, en geen asiel had aangevraagd in Spanje en Frankrijk waar hij eerder verbleef.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de identiteit van eiser niet geloofwaardig achtte en dat de problemen met de familie van zijn ex-vriendin onvoldoende waren toegelicht. Ook het niet verschijnen bij eerdere gehoorzittingen werd aan eiser toegerekend. De rechtbank concludeerde dat eiser geen vluchteling is en dat het beroep ongegrond is.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank nu op het beroep heeft beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.38023 (beroep) en NL26.38024 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1998, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. R.B. Hemeltjen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 juni 2026 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 juli 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om de voorlopige voorziening op
22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser is niet verschenen. Eiser zit in bewaring en voor hem was transport beschikbaar om naar de zitting te komen. Eiser heeft schriftelijk medegedeeld dat hij afstand deed van dit transport en niet op de zitting wenste te verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft door de relatie met zijn ex-vriendin. Toen de familieleden van zijn ex-vriendin de relatie ontdekten, hebben zij eiser drie keer aangevallen. De eerste keer, in 2015, is eiser geschopt. De tweede keer, in 2016 of 2017, reed de familie hem aan met een auto terwijl hij op een scooter zat. De derde keer, in 2022, is hij aangevallen met een mes.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst; en
  • De problemen door de relatie met zijn ex-vriendin.
4.1.
De minister vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, onder b en d, van de Kwalificatieverordening [1] . Eiser heeft geen identificerende documenten overgelegd en heeft hiervoor geen bevredigende verklaring. Verder kan eiser volgens de minister niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. Eiser heeft namelijk in zijn eerste asielprocedure een alias gebruikt. Ook is eiser in Spanje en Frankrijk geweest en heeft hij daar geen asiel aangevraagd. Bovendien is eiser tijdens zijn eerste asielprocedure meerdere malen niet verschenen voor zijn gehoor en heeft hij deze procedure niet afgewacht.
4.2.
De minister vindt de problemen van eiser met de familie van zijn ex-vriendin niet geloofwaardig. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Kwalificatieverordening. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de relatie met zijn ex-vriendin problemen gaf met haar familie. Ook vindt de minister het onlogisch dat eiser na 2022 nog een jaar in Algerije is gebleven zonder problemen en dat hij geen aangifte heeft gedaan. Daarbij heeft eiser wisselend verklaard over de bedreigingen na het eerste en het tweede incident. Tot slot werpt de minister ook in het kader van dit asielmotief tegen dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
4.3.
De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag [2] en dat hij bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit, hij alleen asiel heeft aangevraagd om te voorkomen dat hij wordt teruggestuurd en hij de nationaliteit heeft van een land waarvoor in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming wordt verleend.
Identiteitsdocumenten
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat eiser na het verliezen van zijn identiteitskaart en paspoort geen poging heeft gedaan om een nieuwe identiteitskaart aan te vragen. Eiser wist niet hoe hij die aanvraag moest doen. Zijn ervaring in Algerije is dat hij persoonlijk aanwezig moet zijn om documenten aan te vragen. Hij wist niet dat het mogelijk was om dit via de diplomatieke vertegenwoordiging te doen. Eiser beschikt ook niet over de documenten die hij nodig heeft om een Algerijnse identiteitskaart aan te vragen, omdat hij deze is kwijtgeraakt toen zijn bootje onderweg kapseisde.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is omdat hij geen identiteitsdocumenten heeft overgelegd en hiervoor geen bevredigende verklaring heeft. Eiser heeft sinds zijn aankomst in Europa in 2023 de mogelijkheid gehad om zich te wenden tot de diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije. De stellingen van eiser dat hij niet wist dat dit een mogelijkheid was en dat hij niet over de juiste documenten beschikte om een nieuwe identiteitskaart aan te vragen, heeft de minister onvoldoende bevredigend mogen vinden. Het had op de weg van eiser gelegen om te informeren naar mogelijkheden om identificerende documenten te verkrijgen. Tot slot heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser in de eerdere procedure een andere naam en geboortedatum heeft opgegeven.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Geen asiel aangevraagd in Spanje en Frankrijk
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat van eiser had mogen worden verwacht dat hij bij de eerste veilige optie bescherming had aangevraagd bij de autoriteiten. Deze stelling is onjuist in het licht van wat eiser heeft verklaard. In Spanje is eiser geheel niet geïnformeerd. Hij werd tijdelijk opgevangen, maar werd daarna weer weggestuurd. Zeer kort daarop is hij naar Frankrijk vertrokken, waar hij ook maar tijdelijk is gebleven. Hij vertrok hier omdat hij hier niet veilig zou zijn. Eiser heeft dus met reden in Nederland asiel aangevraagd, en niet eerder in Spanje of Frankrijk.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser geen asiel heeft aangevraagd in Spanje en Frankrijk. De minister heeft de verklaringen van eiser voldoende betrokken in de beoordeling. De minister heeft er ondanks deze verklaringen van uit mogen gaan dat Spanje en Frankrijk veilige landen zijn voor eiser om asiel aan te vragen, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Niet verschenen voor gehoor
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat in het nadeel van eiser wordt meegewogen dat hij in de eerdere procedure niet is verschenen voor zijn gehoren. Zoals eiser reeds heeft verklaard, is er iets misgegaan met het vervoer omdat hij geen ticket had meegekregen. Ten onrechte en in strijd met het motiveringsbeginsel betrekt de minister dit niet in de beoordeling. Het is bekend dat het niet altijd goed gaat bij het regelen van vervoer voor asielzoekers, dan wel dat zij bijvoorbeeld geen ticket kunnen krijgen voor het openbaar vervoer.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister het eiser heeft mogen aanrekenen dat hij in zijn eerste procedure niet is verschenen voor meerdere gehoren. Indien eiser problemen had met het openbaar vervoer, had het op zijn weg gelegen om dit in de eerste procedure kenbaar te maken. Eiser heeft dit niet gedaan en is met onbekende bestemming vertrokken.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met familie ex-vriendin
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de relatie met zijn ex-vriendin problemen heeft veroorzaakt met de familie van zijn ex-vriendin. Eiser heeft meermaals verklaard dat de problemen zijn ontstaan omdat hij een relatie had met zijn ex-vriendin. Eiser verklaart ook juist in zijn gehoor dat hij niet weet wat de familieleden precies dachten. Hij kan dit derhalve ook niet verder toelichten. Wel geeft hij aan dat er roddels rondgingen over de relatie die hij had. Ten aanzien van de stelling van de minister dat het onlogisch is dat eiser nog een jaar in Algerije is gebleven, merkt eiser op dat hij in het gehoor heeft uitgelegd dat hij in eerste instantie in Algerije probeerde te blijven en daar veilig te zijn door constant van verblijfadres te veranderen. Toen dit niet bleek te werken en eiser het laatste incident meemaakte, is hij daarna vertrokken.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de relatie met zijn ex-vriendin zijn problemen met haar familie heeft veroorzaakt. De minister heeft de verklaringen van eiser voldoende betrokken in de beoordeling. Eiser heeft met zijn verklaringen niet concreet gemaakt waarom hij door de relatie met zijn ex-vriendin problemen kreeg met haar familie.
12.1.
De rechtbank is ook van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat het onlogisch is dat eiser na het derde incident nog een jaar in Algerije is gebleven. Als eiser daadwerkelijk te vrezen had voor zijn leven vanwege de aanvallen, had het in de rede gelegen om binnen korte tijd Algerije te verlaten. Bovendien blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij constant van verblijfadres veranderde. Eiser heeft verklaard dat hij twee keer is verhuisd, in 2015 en in 2022. [3]
12.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
14. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.38023:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.38024:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening 2024/1347.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Gehoor, pagina 34.