ECLI:NL:RBDHA:2026:21069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29303 en NL26.29304
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en medische situatie

Eiser, een asielzoeker uit Sierra Leone, diende op 23 maart 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister nam deze aanvraag op 22 mei 2026 niet in behandeling, omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat zijn overdracht aan Zwitserland ernstige en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid zou hebben, onderbouwd met een medisch dossier waarin een suïcidepoging werd vermeld.

De rechtbank oordeelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door het Bureau Medische Advisering (BMA) niet om advies te vragen, terwijl de werkinstructies voorschrijven dat bij een recente suïcidepoging een dergelijk advies verplicht is. De minister had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de overdracht geen onomkeerbare gevolgen zou hebben. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het BMA om advies moet worden gevraagd.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep gegrond was. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en het naleven van medische adviesprocedures bij beslissingen over asielaanvragen onder de Dublinverordening.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd vanwege het niet raadplegen van het Bureau Medische Advisering; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.29303 (beroep)
NL26.29304 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2001, van Sierra Leoonse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.J. Hoppenbrouwer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiser is het niet eens met het besluit van de minister. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Eiser krijgt dus gelijk. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank af. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 maart 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft met het bestreden besluit van 22 mei 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij gedurende de behandeling van het beroep niet wordt overgedragen aan Zwitserland.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P. Oronsaye als tolk in de taal Krio en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Achtergrond
4. Eiser heeft eerder in Zwitserland asiel aangevraagd. Zijn aanvraag is daar afgewezen. De minister heeft daarom op 10 april 2026 de autoriteiten van Zwitserland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening [1] . Op 14 april 2026 zijn de autoriteiten van Zwitserland hiermee akkoord gegaan.
Bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft de minister bepaald dat de asielaanvraag van eiser niet in behandeling wordt genomen op de grond dat Zwitserland hiervoor verantwoordelijk is. De minister ziet geen reden om de asielaanvraag van eiser alsnog in behandeling te nemen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag de minister erop vertrouwen dat Zwitserland zich aan de regels houdt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Zwitserland een reëel risico loopt op een slechte behandeling. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn medische situatie in Nederland behandeld moet worden. Eiser heeft geen medische documenten overgelegd. Bovendien mag de minister verwachten dat Zwitserland de medische problemen van eiser goed kan behandelen. Tot slot is in het geval van eiser geen sprake van een bijzondere situatie. De overdracht aan Zwitserland leidt dus niet tot onevenredige hardheid.
Had de minister het BMA [2] om een advies moeten vragen?
6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zijn overdracht aan Zwitserland onomkeerbare gevolgen zal hebben voor zijn gezondheidstoestand. Eiser verwijst daarbij naar het arrest C.K tegen Slovenië. [3] Eiser overlegt ook een medisch dossier van het GZA [4] . Hieruit blijkt onder andere dat eiser op 1 mei 2026 een suïcidepoging heeft gedaan met een overdosis. Eiser vindt dat de minister het BMA had moeten vragen om een advies over de gevolgen van een overdracht op de gezondheidstoestand van eiser. Eiser verwijst daarbij naar werkinstructies [5] van de minister.
7. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser met het verslag van het GZA niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht onomkeerbare gevolgen zal hebben voor zijn gezondheidstoestand. De overdosis is door de minister niet geregistreerd als suïcidepoging. Het BMA zou op basis van het verslag van het GZA ook niet kunnen beoordelen of de overdracht onomkeerbare gevolgen heeft. Het verslag vormt dan ook geen aanleiding om het BMA om advies te vragen.
8. De rechtbank overweegt dat in de werkinstructie 2026/17 waarnaar eiser verwijst, is opgenomen:
‘Wanneer de vreemdeling recent een suïcide poging heeft gedaan, die alleen is onderbouwd middels een patiëntendossier van de huisarts of bijvoorbeeld een verslag van een intakegesprek bij GGZ, waarin dit wordt aangegeven, is dit voldoende om een advies te vragen aan het BMA. De voorwaarde dat de vreemdeling onder actieve medische behandeling moet staan vervalt in dit geval.’
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat de overdosis op 1 mei 2026 een suïcidepoging was, omdat het GZA in het verslag ook heeft opgenomen dat op die dag bij eiser sprake was van suïcidaliteit. Dat de overdosis bij de minister niet geregistreerd is als suïcidepoging, is onvoldoende om het verslag van het GZA in twijfel te trekken. De rechtbank concludeert dan ook dat de informatie van het GZA voor de minister aanleiding had moeten vormen om het BMA om advies te vragen. Nu de minister dit niet heeft gedaan, is het besluit onzorgvuldig voorbereid.
8.2.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen. Voordat de minister dit besluit neemt, moet hij het BMA om advies vragen. De rechtbank merkt daarbij op dat in het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, zoals bij eiser, volgens het arrest C.K. niet mag worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar dat rekening moet worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien. [6]
8.3.
De beroepsgrond slaagt.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
9. Eiser voert subsidiair aan dat het standpunt van de minister dat de overdracht niet leidt tot onevenredige hardheid, ondeugdelijk is gemotiveerd.
10. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb [7] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat de minister het BMA eerst om advies moet vragen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
13. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
14. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.29303:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.29304:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Bureau Medische Advisering.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.
4.GezondheidsZorg Asielzoekers
5.Werkinstructies 2021/03 en 2026/17. De laatste is momenteel geldig.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127, overweging 76.
7.Algemene wet bestuursrecht.