ECLI:NL:RBDHA:2026:21071
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens geen weigering vertrek naar Bulgarije
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Syrisch gezin tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd met het oog op hun uitzetting naar Bulgarije.
Eisers stelden dat zij niet weigerden mee te werken aan hun vertrek, maar dat de vlucht op 23 juni 2026 werd geannuleerd vanwege ziekenhuisopname van de moeder, wat overmacht vormde. De rechtbank stelde vast dat uit de vertrekgesprekken en het proces-verbaal bleek dat eisers bereid waren mee te werken en klaar waren voor vertrek. De dochter gaf aan bezorgd te zijn over de gezondheid van haar moeder en wilde waarborgen bij de vlucht.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake was van weigering van vertrek of bewuste frustratie van de overdracht. De maatregel van vreemdelingenbewaring was daarom onrechtmatig vanaf het moment van oplegging. De rechtbank beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring en kende aan elk gezinslid een schadevergoeding toe van €1.200 voor tien dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden proceskosten van €1.868 toegewezen aan eisers.
De uitspraak vervangt de eerdere uitspraak van 24 juli 2026 zonder wijziging van de uitspraakdatum. De minister werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven en eisers krijgen schadevergoeding en proceskosten toegekend.