ECLI:NL:RBDHA:2026:21100

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41214
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.6 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 22 juli 2026. De maatregel was gebaseerd op het risico dat eiseres zou onderduiken in het kader van een overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor de bewaring, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, niet door eiseres waren betwist. De rechtbank oordeelde dat deze gronden voldoende waren om het onderduikrisico aan te nemen en dat de maatregel proportioneel en noodzakelijk was.

Eiseres uitte zorgen over de duur van de bewaring, omdat nog geen overdrachtsdatum bekend was. De rechtbank constateerde echter dat de overdrachtsdatum inmiddels was vastgesteld en dat er geen aanwijzingen waren dat de minister niet voortvarend handelde om de bewaring zo kort mogelijk te laten duren.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en kreeg eiseres geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41214

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiseres heeft op 23 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 27 juli 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 28 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb [2] kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiseres zal onderduiken.
5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
a. de vreemdeling is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.
k. de vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en

migratiebeheerverordening.

m. de vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Voortvarend handelen
7. Eiseres stelt dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren, maar twijfelt eraan of dit daadwerkelijk zal gebeuren. Er is namelijk nog geen overdrachtsdatum bekend. Gezien de spoedeisendheid van de inbewaringstelling had het passend geweest als de overdrachtsdatum reeds met de Duitse autoriteiten was afgestemd.
8. De maatregel van vreemdelingenbewaring is op 22 juli 2026 aan eiseres opgelegd. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de overdrachtsdatum op 24 juli 2026 bekend is geworden. Er is een landoverdracht gepland op 3 augustus 2026. De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en er niet voor probeert te zorgen dat de inbewaringstelling zo kort mogelijk duurt.
Ambtshalve toets
9. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.