ECLI:NL:RBDHA:2026:21105

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
09-063575-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mishandeling en diefstal, veroordeeld voor teweegbrengen ontploffing met jeugddetentie en taakstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 2009. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een woning, mishandeling en diefstal van een scooter. Na beoordeling van het bewijs sprak de rechtbank de verdachte vrij van mishandeling en diefstal wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Voor het teweegbrengen van de ontploffing achtte de rechtbank de verdachte wel wettig en overtuigend schuldig. De ontploffing vond plaats op 31 oktober 2024 in de tuin van een woning te Den Haag, waarbij gemeen gevaar voor goederen werd veroorzaakt. De verdachte handelde samen met een ander en werd herkend op camerabeelden. Er was echter onvoldoende bewijs voor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, eerdere veroordelingen en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De verdachte werd veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 20 uur. Tevens werd een schadevergoeding van €500 toegekend aan de benadeelde partij.

De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van begeleiding en een contactverbod met een medeverdachte. De rechtbank wees de overige vorderingen van de benadeelde partij af en legde geen gijzeling op vanwege de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van mishandeling en diefstal, veroordeeld tot 30 dagen jeugddetentie (27 voorwaardelijk) en 20 uur taakstraf voor teweegbrengen ontploffing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-063575-25
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte], (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 29 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D.F.R. de Vrught en de raadsvrouw van de verdachte is mr. M.P. Friperson te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan in de tuin van/bij een woning aan de [adres 2] te Den Haag, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning te duchten was;
2
hij op of omstreeks 11 november 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, [aangever] heeft mishandeld door hem met een tak en/of boomstronk en/of voorwerpen tegen het hoofd en/of de schouders en/of het lichaam te slaan;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 november 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg openlijk, te weten in of in de omgeving van het Zijdepark te Voorburg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] door die [aangever] met een stok en/of boomstronk en/of voorwerpen tegen het hoofd en/of schouders en/of lichaam te slaan
terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten pijn op achterhoofd en/of schouder voor die [aangever] ten gevolge heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 11 november 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland een scooter in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat er als gevolg van de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was en dat de verdachte daarom van dat deel van feit 1 op de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Van het onder 2 primair tenlastegelegde moet de verdachte volgens de officier van justitie ook worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Voor het overige kan, aldus de officier van justitie, bewezenverklaring van het ten laste gelegde volgen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feit 2
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Allereerst is van belang dat [aangever] (hierna: [aangever] ) in zijn aangifte heeft verklaard dat hij door de verdachte op een skatepark in Leidschendam is geslagen, terwijl hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet weet wie hem daar heeft geslagen. Daar komt bij dat als van de aangifte van [aangever] wordt uitgegaan, deze niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Getuige [getuige 1] heeft weliswaar verklaard dat een groep jongens uit de bosjes bij het skatepark kwam en dat [aangever] werd geslagen, maar hij heeft geen namen van de daders genoemd. De getuigenverklaring van [getuige 2] roept vragen op, nu zij in eerste instantie heeft verklaard van de verdachte te hebben gehoord dat hij [aangever] een klap had gegeven, maar later alleen dat ‘zij’ hem wilden mishandelen. De moeder van [aangever] heeft in een gesprek met de politie weliswaar laten weten dat [aangever] is geslagen, maar zij heeft ook gezegd dat dit door drie jongens is gebeurd, zonder namen te noemen.
Ook van het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde moet de verdachte worden vrijgesproken. Dat de verdachte deel uitmaakte van een groep die zich jegens [aangever] schuldig maakte aan openlijk geweld, volgt weliswaar uit de verklaringen van [aangever] , maar voor die verklaring kan onvoldoende steun worden gevonden in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaring van de moeder van [aangever] in een gesprek met de politie. Dat de telefoon van de verdachte rond het tijdstip waarop het openlijk geweld volgens [aangever] plaatsvond, aanstraalde op een zendmast die het hiervoor genoemde skatepark onder bereik heeft, vormt naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende steunbewijs, nu de verdachte in de buurt van het skatepark woonachtig is en aannemelijk is geworden dat hij vaak in de omgeving van dat park te vinden is.
3.3.2
Vrijspraak feit 3
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de scooter van [aangever] , de aangever in deze, heeft gestolen en dat hij daarom ook moet worden vrijgesproken van feit 3. [aangever] heeft weliswaar verklaard dat zijn scooter is weggenomen van het hiervoor genoemde skatepark, maar hij heeft ook verklaard niet te weten wie dit heeft gedaan. Getuige [medeverdachte] heeft melding van de diefstal gemaakt, maar heeft geen naam van een dader genoemd. Getuige [getuige 2] heeft alleen verklaard dat zij tijdens een Snapchatgesprek met ene ‘ [schuilnaam] ’ zag dat hij op een scooter zat die leek op de scooter van [aangever] die was gestolen. In het dossier bevindt zich tot slot een proces-verbaal van bevindingen waarin een politieagent relateert dat hij op 16 november 2024 iemand op de gestolen scooter zag rijden, maar in dat proces-verbaal wordt niet vermeld wie de bestuurder was.
3.3.3
Bewijsoverwegingen feit 1
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en zij overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat er in een Snapchatgroep, waarvan hij deel uitmaakte, maar ook [aangever] , een ruzie gaande was.
De verdachte heeft ook erkend dat hij samen met twee andere jongens, op 28 oktober 2024, drie dagen voordat de explosie bij de woning aan de [adres 2] in Den Haag, waar [aangever] destijds woonde, plaatsvond, naar de bewuste woning is gegaan. Dit is ook vastgelegd op een deurbelcamera en op de beelden van die camera zijn de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) herkend. Op basis van genoemde beelden van 28 oktober 2024 kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] veel langer is dan de verdachte.
Op beelden van camera’s van omliggende woningen is te zien dat er op 31 oktober 2024 rond 18.15 uur twee personen naar de genoemde woning gaan en daar in de achtertuin een ontploffing teweeg brengen. Door de politie is geconstateerd dat de kleding en schoenen van één van de personen op genoemde beelden grote gelijkenissen vertonen met de kleding en schoenen die [medeverdachte] droeg tijdens zijn aanhouding ongeveer drie weken later, op 19 november 2024. De andere persoon op de beelden van 31 oktober 2024 verschilt aanzienlijk in lengte van [medeverdachte] .
Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte en [medeverdachte] veelvuldig telefonisch contact met elkaar onderhielden, ook op 28 en 31 oktober 2024. De verdachte heeft ook verklaard dat hij met [medeverdachte] bevriend is.
[aangever] heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij via Snapchat een filmpje doorgestuurd kreeg waarop de explosie in de achtertuin van de woning waar hij woonde, te zien was en waarop ook ene [verdachte] stond, samen met een ander, die [aangever] zei niet te kennen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij op de dag van de ontploffing door ene ‘ [schuilnaam] ’ via Snapchat werd gebeld en deze [schuilnaam] haar liet weten: ‘Weet wat er net is gebeurd. Wij hebben cobra met twee liter benzine in de achtertuin van [aangever] [gelegd, zo begrijpt de rechtbank]’. Hierna ontving zij, zo verklaarde zij ook, van die [schuilnaam] een filmpje, waarop een fel licht te zien was in een straat die zij herkende als de straat van [aangever] .
De rechtbank gaat ervan uit dat met ‘ [schuilnaam] ’ ook de verdachte wordt bedoeld gezien de ruzie in de Snapchatgroep, de achtergrond van het geschil waarover de getuige [getuige 2] blijkens de aangifte van de moeder van [aangever] over heeft verteld en het feit dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een ander persoon.
Vanaf het telefoonnummer dat de verdachte destijds gebruikte, zijn op 31 oktober 2024 tussen 17.02 uur en 18.34 uur geen gesprekken of dataverbindingen tot stand gekomen. Het telefoonnummer dat wordt gekoppeld aan [medeverdachte] liet hetzelfde zien, zij het tussen 17.12 uur en 18.57 uur. Beide telefoonnummers hadden in de periode daarvoor tussen genoemde tijdstippen, zo heeft de politie vastgesteld, wel contacten. Het telefoonnummer van de verdachte straalde op 31 oktober 2024 om 18:34 uur, ongeveer een kwartier na de ontploffing, aan op een zendmast in de buurt van de woning waar de ontploffing plaatsvond
Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich, samen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing.
Uit de aangifte volgt dat er als gevolg van de ontploffing een steekvlam is ontstaan en een ‘antidoorkijkdoek’ van de buren van de bewuste woning vrijwel volledig is verbrand. Uit de camerabeelden blijkt dat de ontploffing zich voordeed dichtbij een fietsenstalling en trampoline. Dit maakt dat volgens de rechtbank bewezen kan worden dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om ook bewezen te achten dat er levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 31 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief af te laten gaan in de tuin van een woning aan de [adres 2] te Den Haag, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de zich in de omgeving van die woning bevindende goederen te duchten was.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 30 dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. De officier van justitie heeft ook gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval van strafoplegging, rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat er ook bedreigingen door [aangever] richting de verdachte zijn geuit. Volgens de raadsvrouw is voorts van belang dat de verdachte al een lange periode in een schorsing loopt. Verzocht wordt het advies van de Raad te volgen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als vijftienjarige schuldige gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing in de buurt van een woning. Door de ontploffing is een steekvlam ontstaan en is een ‘antidoorkijkdoek’ van de buren vrijwel geheel verbrand. Uit de aangifte blijkt dat de bewoners van de getroffen woning erg geschrokken zijn van dit feit, dat gericht leek te zijn tegen de zoon van het gezin, en zich niet meer veilig voelen. Ook het veiligheidsgevoel van anderen (bijvoorbeeld de buren en breder in de samenleving) zal zijn aangetast door de ontploffing. Dat de verdachte hieraan heeft bijgedragen, rekent de rechtbank hem aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte na het plegen van onderhavig feit een strafbeschikking heeft gekregen voor het plegen van openlijk geweld en is veroordeeld belediging van een ambtenaar in functie. Dit betekent dat artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 26 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er zorgen zijn over de sociale contacten van de verdachte, zijn middelengebruik, zijn gedrag, het gebrek aan vaardigheden om tot oplossingen te komen en om te gaan met moeilijke situaties, de spanningen op het thuisfront en het gebrek aan structurele scholing en zinvolle dagbesteding. Het algemeen recidiverisico is volgens de Raad hoog. Het is belangrijk, aldus de Raad, dat met alle geconstateerde zorgen aan de slag wordt gegaan door middel van begeleiding en hulpverlening. Daarom adviseert de Raad om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met bijzondere voorwaarden, bestaande uit een meldplicht, een verplichting om zich te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, een verplichting om een zinvolle dagbesteding te hebben, een verplichting tot het volgen van behandeling bij de Brijder/de Waag of een soortgelijke instelling, een verplichting tot het meewerken aan de afspraken die met de coach worden gemaakt en een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Het is wenselijk, aldus de Raad, om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat de verdachte, die over een half jaar 18 jaar wordt, na de uitspraak direct aan de slag kan met de begeleiding en hulpverlening. Nu de verdachte pas in september 2026 weer zal gaan starten met een opleiding en hij nu geen dagbesteding heeft, adviseert de Raad daarnaast om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, zodat de verdachte de consequenties van zijn gedrag ervaart.
De coach van de verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat het in het begin lastig was om contact met de verdachte te krijgen. Inmiddels hebben zij beter contact met elkaar en geeft de verdachte steeds meer openheid van zaken. De coach probeert de verdachte op allerlei gebieden, zoals school, sport en emoties, te ondersteunen.
Voorarrest
De rechtbank stelt vast de verdachte drie dagen in voorarrest heeft gezeten vanwege het bewezenverklaarde feit, namelijk van 16 tot en met 18 april 2025. Op 24 mei 2026 is de verdachte aangehouden en heeft hij voor één nacht in een politiecel gezeten omdat de politie in de veronderstelling was dat de verdachte nog een avondklok had; dit bleek echter niet juist. Dit betreft echter geen voorarrest als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Daarom zal dit niet worden meegenomen als aftrek bij de strafoplegging.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
Het is niet wenselijk om de verdachte terug te sturen naar de jeugdgevangenis, mede gezien zijn kwetsbaarheid en de voorzichtige positieve stappen die hij de afgelopen tijd heeft gezet. Dit maakt dat de rechtbank oplegging van een jeugddetentie van 30 dagen met aftrek (drie dagen), waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, passend en geboden vindt. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen naast de algemene voorwaarden de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden omdat het van belang is dat de verdachte ondersteuning en begeleiding krijgt om verder tot ontwikkeling te komen en om zo het recidiverisico te beperken. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de verdachte de consequenties van zijn gedrag ervaart en daarom zal zij ook een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 20 uren aan de verdachte opleggen. Als de verdachte deze werkstraf niet of niet volledig uitvoert, kan deze worden omgezet in 10 dagen jeugddetentie.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Dadelijke uitvoerbaarheid kan alleen worden bepaald indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen. Daar is in onderhavige zaak geen sprake van. Daarom zal geen dadelijke uitvoerbaarheid van het vonnis worden gelast.

7.7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van de immateriële schade een bedrag van € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is de hoofdelijkheid en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de verzochte vrijspraak heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde bedrag te matigen, nu niet kan worden bewezen dat er als gevolg van de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd wat de gevolgen van het strafbare feit zijn geweest. Uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij en haar kinderen door het incident angstig zijn, de benadeelde partij haar gevoel van veiligheid kwijt is en zij (nog steeds) bezig is om een ander huis te zoeken. Dit gevoel is versterkt door het feit dat de verdachten het op haar en haar gezin leken te hebben gemunt.
Geen hoofdelijkheid
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet hoofdelijk toewijzen. Een hoofdelijke veroordeling zal mogelijk ingewikkeldheden meebrengen met betrekking tot het onderlinge regresrecht tussen de verdachte en de medeverdachte. De rechtbank acht het onwenselijk dat de verdachte onderling met de medeverdachte de betalingen moet regelen, mede gelet op het contactverbod dat zal worden opgelegd.
De rechtbank zal de vordering daarom splitsen en de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 500,--.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,--, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
Het restant van de vorderingAlles wat de benadeelde partij meer heeft gevorderd, zal worden afgewezen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard, en kwalificeert dit als:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
30 (DERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
zijnde 3 dagen, bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van die straf,
te weten 27 dagen,niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
één jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd zal melden bij de jeugdreclassering, op momenten waarop zij dat willen en zolang zij dat willen;
luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit deelname aan enige vorm van begeleiding inhoudt;
3. zal meewerken aan behandeling bij de Brijder en/of de Waag of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
4. zal meewerken aan het hebben van een zinvolle dagbesteding, in de vorm van school, stage en/of werk of een andere vorm van dagbesteding, alles in overleg met en goedgekeurd door de jeugdreclassering;
5. meewerkt aan de inzet van en hulpverlening door een coach, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
6. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal leggen of laten leggen met [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum 2] 2009);
geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
20 (TWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
10 (TIEN) DAGEN;
bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 31 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is voldaan, te betalen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, kinderrechter,
en mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2026.