ECLI:NL:RBDHA:2026:21127

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
24/8109
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.G. Oomkes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3 BorArt. 2.11 Bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016Art. 2.13 Bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor uitbreiding recreatieverblijf in strijd met bestemmingsplan

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het dichtbouwen van de luifel bij zijn recreatieverblijf op een locatie in Leiden. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag geweigerd omdat de renovatie leidt tot een overschrijding van de maximale vloeroppervlakte zoals bepaald in het bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016.

De rechtbank stelt vast dat de oppervlakte van het bouwwerk 60 m2 bedraagt, waarvan de vloeroppervlakte na renovatie is toegenomen van 54,06 m2 naar circa 57-60 m2. Dit is in strijd met het bestemmingsplan dat een maximale vloeroppervlakte van 54,06 m2 voorschrijft. De rechtbank oordeelt dat de luifel niet tot de vloeroppervlakte behoort, maar door het dichtbouwen ervan ontstaat een nieuwe binnenruimte die wel meetelt.

Eiser voerde aan dat de totale oppervlakte van 60 m2 niet wordt overschreden en dat in de bijlage bij het bestemmingsplan een hogere maximale oppervlakte staat, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk en wijst erop dat het college de meest gunstige maten hanteert. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiser niet heeft aangetoond dat vergelijkbare gevallen anders zijn behandeld.

De rechtbank concludeert dat het college terecht een omgevingsvergunning heeft geweigerd en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat de vloeroppervlakte het bestemmingsplan overschrijdt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8109

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

(gemachtigde: mr. J. van Egmond).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het weigeren van een omgevingsvergunning voor het dichtbouwen van de luifel bij het recreatieverblijf van eiser op de locatie [adres] . Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de weigering van de omgevingsvergunning aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 22 februari 2024 heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning afgewezen. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 5 september 2024 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Eiser werd ter zitting bijgestaan door A.G. Oostrum.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is eigenaar van het recreatieverblijf op de locatie [adres] . In 2020 heeft hij dat verblijf gerenoveerd, waarbij hij onder meer de overkapping (de luifel) bij de binnenruimte van het verblijf heeft getrokken. Het college heeft eiser er in 2023 op gewezen dat hij voor die renovatie een omgevingsvergunning nodig had. In reactie daarop heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd. Tussen partijen is niet in geschil dat de oppervlakte van het bouwwerk 60 m2 bedraagt.
Het bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft het college het standpunt ingenomen dat de aangevraagde aanpassing van het recreatieverblijf betrekking heeft op de activiteiten bouwen [1] en strijdig gebruik. [2] Volgens het bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 (het bestemmingsplan) rust op de locatie [adres] de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie”. Met de renovatie van zijn recreatieverblijf heeft eiser de maximale vloeroppervlakte hiervan vergroot van 54,06 m2 naar 60 m2. Volgens artikel 3, tweede lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is voor het bouwen van een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf geen vergunning vereist als het bouwwerk niet hoger is dan 5 meter en de oppervlakte niet meer dan 70 m2 betreft. Eiser heeft voor de renovatie van zijn recreatieverblijf daarom geen vergunning nodig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het bestemmingsplan is in artikel 11.2, aanhef en onder d, in samenhang gelezen met bijlage I, voor het recreatieverblijf op [adres] echter bepaald dat de vloeroppervlakte maximaal 54,06 m2 mag zijn. De aangevraagde activiteit is daarom wel in strijd met het bestemmingsplan en op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is voor de renovatie dan ook een omgevingsvergunning vereist. Het college acht de activiteit in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is conserverend van aard. Er wordt terughoudend omgegaan met nieuwe ontwikkelingen, met name ontwikkelingen die het bebouwd oppervlak vergroten. Verdere uitbreiding van dit recreatieverblijf door het dichtbouwen van de luifel wordt met het oog op het belang van het open en groene karakter van de Oostvlietpolder dan ook niet toegestaan. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2⁰, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning daarom geweigerd.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning op 23 november 2023 is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing. [3]
5.1.
De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Heeft eiser voor de renovatie een omgevingsvergunning nodig?
6. Eiser betoogt dat zijn recreatieverblijf niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat hij dus geen omgevingsvergunning nodig heeft om van het bestemmingsplan af te wijken. De renovatie past binnen het bestemmingsplan, omdat de toegestane maximale oppervlakte van 60 m2 van het recreatieverblijf niet wordt overschreden. De vloeroppervlakte van zijn recreatieverblijf is niet toegenomen ten opzichte van de oude situatie. Ter zitting heeft eiser daaraan nog toegevoegd dat in bijlage 1 bij het bestemmingsplan [huisnummer] twee keer is opgenomen en de vloeroppervlakte bij elkaar opgeteld ruim 114 m2 groot mag zijn. [4]
Van strijd met het bepaalde in het bestemmingsplan is dus geen sprake.
Vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo
6.1.
Niet in geschil is dat voor de bouwactiviteit geen omgevingsvergunning nodig is. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of een omgevingsvergunning nodig is voor een afwijking van het bestemmingsplan. Als een activiteit genoemd in artikel 3 van Pro het Bor in strijd is met het planologisch regime ter plaatse, is immers een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo vereist. [5]
6.2.
Volgens artikel 11.2, aanhef en onder d, in samenhang gelezen met bijlage I van het bestemmingsplan geldt voor [adres] een maximale oppervlakte van het bouwwerk van 60 m2, waarvan de vloeroppervlakte maximaal 54,06 m2 en de luifel maximaal 5,94 m2 mag zijn. Eiser heeft ter zitting terecht opgemerkt dat [huisnummer] twee keer met verschillende afmetingen is opgenomen in de tabel in bijlage 1. De rechtbank kan uit die bijlage echter niet afleiden dat die verschillende maten bij elkaar opgeteld moeten worden om de maximale grootte van het verblijf op [huisnummer] te berekenen. Het bestemmingsplan noch de bijlage bieden voor dit standpunt van eiser enig aanknopingspunt en het verhoudt zich ook slecht met de werkelijke situatie ter plaatse. Het lijkt immers aannemelijk dat in bijlage I de bestaande afmetingen van de hierop genoemde woningen staan. De door eiser bepleite toelaatbare oppervlakte van maximaal 114 m2 is daarmee slecht te rijmen. Door het college is ter zitting gesteld dat het hier een kennelijke verschrijving betreft en dat het college is uitgegaan van het huisnummer met de grootste maximale maten, wat in het voordeel van eiser is. De rechtbank merkt in aanvulling daarop nog op dat op de afbeelding in bijlage 1 maar één recreatieverblijf met [huisnummer] is opgenomen. Dit sterkt de rechtbank in haar oordeel dat inderdaad sprake moet zijn van een kennelijke verschrijving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ervoor mogen kiezen de voor eiser meest gunstige afmetingen uit bijlage I te hanteren. In het vervolg van deze uitspraak gaat de rechtbank dan ook met het college uit van een toegestane maximale oppervlakte van het recreatieverblijf van 60 m2, waarvan 54,06 m2 vloeroppervlak is.
6.3.
Hoe de ‘oppervlakte van een bouwwerk’ moet worden gemeten, volgt uit artikel 2.11 van het bestemmingsplan. Daaruit volgt dat ook eventueel aan het bouwwerk aangebrachte luifels hieronder vallen. Hoe de ‘vloeroppervlakte van een gebouw’ wordt gemeten, volgt uit artikel 2.13 van het bestemmingsplan. Het gaat dan kort gezegd om de som van alle binnenruimten. Het begrip ‘luifel’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd, maar het college heeft onbestreden toegelicht dat dit in de praktijk de buitenruimte onder het vergrote dakoverstek van een bouwwerk betreft. Een binnenruimte is volgens het college een ruimte die volledig is omgeven door muren, vloeren en daken van het gebouw. Een luifel met de daaronder gelegen grond kan daarom niet als binnenruimte worden aangemerkt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de luifel nooit onder de vloeroppervlakte van een recreatieverblijf kan vallen, omdat de vloeroppervlakte enkel binnenruimten betreft.
6.4.
Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat eiser in de nieuwe situatie de luifel bij het gebouw heeft getrokken door een muur met daarin een voordeur te plaatsen op de plek waar de luifel eerder nog geen muur had en dus direct met de buitenruimte verbonden was. De luifel is daarmee komen te vervallen en vormt sinds de renovatie het dak van een nieuwe binnenruimte van het recreatieverblijf. De binnenruimte en dus de vloeroppervlakte van het recreatieverblijf zijn daarmee vergroot ten opzichte van de oude situatie. Volgens de aanvraag gaat het om een vloeroppervlakte van 57 m2 na renovatie en de tekeningen behorende bij de aanvraag gaan zelfs uit van een vloeroppervlak van 60 m2 in de nieuwe situatie. De enkele stelling van eiser dat de vloeroppervlakte van zijn recreatieverblijf niet is toegenomen ten opzichte van de oude situatie is allereerst niet onderbouwd en daarnaast dus in strijd met hetgeen uit de gegevens bij de aanvraag blijkt. Het college heeft daarom terecht aangenomen dat de aangevraagde situatie in strijd is met de volgens de planregels maximaal toegestane vloeroppervlakte van 54,06 m2. Eisers stelling dat de maximale totale oppervlakte van 60 m2 niet wordt overschreden, kan hem niet baten. Zoals hiervoor uitgelegd, zit de strijd met het bestemmingsplan in dit geval namelijk niet in de overschrijding van de maximale
oppervlakte van het bouwwerk, maar in de overschrijding van de maximale
vloeroppervlakte.
6.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor de door eiser aangevraagde activiteit een vergunning nodig is op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
6.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit?
7. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe voert hij allereerst aan dat het college herhaaldelijk de redenen heeft gewijzigd waarom het voor hem nodig zou zijn een omgevingsvergunning aan te vragen. Daarnaast heeft het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de feitelijke situatie ter plekke.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college telkens – zij het in verschillende bewoordingen – dezelfde reden naar voren gebracht waarom eiser een omgevingsvergunning diende aan te vragen voor de nieuwe situatie van zijn recreatieverblijf na de renovatie in 2020. Die reden komt erop neer dat eiser de vloeroppervlakte van zijn recreatieverblijf heeft vergroot door de luifel bij het recreatieverblijf te betrekken en dat voor die activiteit een omgevingsvergunning nodig is. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door het herhaaldelijk wijzigen van de redenen waarom eiser een omgevingsvergunning diende aan te vragen.
7.2.
Daarnaast blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning moet beoordelen aan de hand van de bij de aanvraag gevoegde gegevens en stukken en niet aan de hand van hoe het bouwplan daadwerkelijk is of wordt uitgevoerd. [6] Er rust dus geen plicht op het college om ter plaatse de vloeroppervlakte van het recreatieverblijf na te meten. Eiser kan een nieuwe aanvraag indienen als hij meent dat de vloeroppervlakte kleiner is dan is opgenomen in de tabel in bijlage 1 bij het bestemmingsplan.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?
8. Eiser betoogt tot slot dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door van hem te verlangen een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen en die vervolgens te weigeren. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat het overgrote deel van de recreatieverblijven op Vlietpark niet voldoet aan de eisen uit het bestemmingsplan, maar dat van geen van de andere bewoners wordt verlangd dat zij een omgevingsvergunning aanvragen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ter zitting heeft eiser foto’s overgelegd van soortgelijke verblijven die volgens hem niet voldoen aan de planregels.
8.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van (in feitelijke én juridische zin) gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, zonder dat een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Ter onderbouwing van zijn betoog dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door hem een omgevingsvergunning te weigeren, zou eiser moeten onderbouwen dat er soortgelijke recreatieverblijven zijn waarvoor, na een soortgelijke aanvraag, door het college wél een omgevingsvergunning is verleend. Eiser heeft echter niet meer aangevoerd dan dat er veel andere verblijven op het park zijn die in strijd zijn met het bestemmingsplan en waartegen niet wordt opgetreden door het college. Eiser heeft niet aangevoerd, laat staan concreet onderbouwd, dat in die gevallen door het college wel omgevingsvergunningen zijn verleend.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G. Oomkes, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk;
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II
Artikel 3
Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:
(…)
2. een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 70m2,
(…)
Bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016
Artikel 2 Wijze Pro van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
(…)
2.11
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk, inclusief eventueel aan het bouwwerk aangebrachte luifels;
(…)
2.13
de vloeroppervlakte van een gebouw (binnenwerks):
De som van alle tot het gebouw behorende binnenruimten, gemeten op vloerniveau tussen de begrensde opgaande scheidingsconstructies van de afzonderlijke daartoe behorende ruimte(n), inclusief onderbouw en zolderruimte. De oppervlakte van een trapgat, een liftschacht en een toegankelijke leidingschacht moet op elke bouwlaag tot de vloeroppervlakte van een gebouw worden gerekend;
(…)
Artikel 11 Recreatie Pro – Verblijfsrecreatie
(…)
11.2
Bouwregels
Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
(…)
b. Per verblijfsrecreatieerf zijn gebouwen toegestaan, met dien verstande dat:
(…)
3. de totale gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing per verblijfsrecreatief erg niet meer mag bedragen dan 70m2, waarbij:
- de oppervlakte van recreatieverblijven niet meer mag bedragen dan 40m2,
(…)
d. in afwijking van het bepaalde onder b, geldt voor de locaties van de recreatieverblijven zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels de daarin opgenomen maximale maatvoering.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
3.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingsrecht.
4.Kopie van de relevante delen van de tabel in bijlage 1 van het bestemmingsplan:
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 december 2020,
6.Zie onder meer de uitspraak van 21 juni 2023,