ECLI:NL:RBDHA:2026:21134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
09/098692-26, 09/062627-26 (ttz. gev.), 09/009742-26 (ttz. gev.) en 09/015678-26 (ttz. gev.)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 180 SrArt. 266 SrArt. 267 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging, belediging en wederspannigheid jegens agenten

De rechtbank Den Haag heeft op 29 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten jegens politieambtenaren. De tenlasteleggingen betroffen onder meer bedreiging met misdrijven tegen het leven, belediging van ambtenaren tijdens hun rechtmatige bediening en wederspannigheid bij aanhouding.

Tijdens de terechtzitting op 15 juli 2026 werd verstek verleend omdat de raadsvrouw van de verdachte niet gemachtigd was. De rechtbank wees de onderzoekswensen van de verdediging af omdat deze laat waren ingediend en niet noodzakelijk voor de beantwoording van de relevante vragen.

De rechtbank verklaarde de bedreigingen en beledigingen bewezen, waaronder het uiten van dreigende woorden met verwijzingen naar kogels en agressieve taal. Ook werd bewezen verklaard dat de verdachte zich met geweld verzette tegen een politieambtenaar bij zijn aanhouding.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar is en wees de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel af omdat niet aan de wettelijke harde criteria was voldaan. Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 134 dagen opgelegd, met aftrek van de tijd in voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van psychisch letsel. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 134 dagen gevangenisstraf wegens bedreiging, belediging en wederspannigheid; ISD-maatregel niet opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/098692-26, 09/062627-26 (ttz. gev.), 09/009742-26 (ttz. gev.) en 09/015678-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 29 juli 2026
Verstek
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1970 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De zaken met de parketnummers 09/062627-26, 09/009742-26 en 09/015678-26 zijn op 15 juli 2026 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer (parketnummer 09/098692-26) op 15 juli 2026. Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Coenen. De raadsvrouw van de verdachte, mr. Y. Ameziane, was aanwezig maar bleek niet gemachtigd. De rechtbank heeft verstek verleend.

2.De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 09/098692-26 (hierna: dagvaarding I)
hij op of omstreeks 21 maart 2026 te ’s-Gravenhage [politieambtenaar 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [politieambtenaar 1] dreigend de woorden toe te voegen
- " Kogels heb ik voor jullie allemaal, voor jou ook!",
- “ Ik heb pipa. Roekeloos kom ik zo meteen naar buiten, zonder berouw als Anti’s zonder berouw. Klaar om mensen te laten slapen.”,
- “ Ik heb cadeautje voor jullie. Welkomstcadeau. Kogels, hoerenkinderen”,
- “ Hollow-point kogels heb ik voor iedereen vandaag”,
- “ Ik heb hete olie op jullie kankerhoofd. Kom binnen, niet kloppen kom binnen, kom binnen!”,
- “ Jullie kankerlijers van Haagwonen kogels heb ik voor jullie”,
- “ Dat ik hollow-point heb voor hun en hete olie in hun kanker gezicht, ja. Zeg tegen hun dat [verdachte] dat voor hun heb, ja. […] Heb je begrepen [politieambtenaar 1] ?”,
en/of
- “ Ik ben klaar voor jullie. Kogels heb ik voor jullie, heb je begrepen [politieambtenaar 1] ?”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Parketnummer 09/062627-26 (hierna: dagvaarding II)
hij op of omstreeks 2 maart 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [politieambtenaar 2] (hoofdagent bij de Eenheid Den Haag) en/of [politieambtenaar 3] (agent bij de Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hen de woorden toe te voegen: "kankerflikkers" en/of "kankerhoer" en/of "kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
Parketnummer 09/009742-26 (hierna: dagvaarding III)
1
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, te weten [politieambtenaar 4] (politieambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: ''kankerflikker'', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [politieambtenaar 4] (politieambtenaar), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door
- het autoportier dicht te doen en/of
- het vastpakken van die [politieambtenaar 4] bij de jas en/of
- het aanspannen van de spieren en/of
- het lostrekken;
Parketnummer 09/015678-26 (hierna: dagvaarding IV)
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te ’s-Gravenhage [politieambtenaar 4] (hoofdagent bij de Eenheid Den Haag) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [politieambtenaar 4] meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden toe te voegen "Ik draai niet op Haagse bluf [politieambtenaar 1] , ik ga zijn kanker hoofd voor hem breken wanneer ik hem tegenkom", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.Onderzoekswensen van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft op 8 juli 2026 onderzoekswensen ingediend per e-mail (
bijlage I). De verdediging heeft verzocht de volgende getuigen te horen:
- [politieambtenaar 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1988, verbalisant;
- [politieambtenaar 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2001, verbalisant;
- [politieambtenaar 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2000, verbalisant;
- [politieambtenaar 4] , geboren op [geboortedatum 5] 1987;
- [inspecteur] ( [nummer] ), werkzaam als inspecteur bij de Eenheid Den Haag.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de verzoeken van de verdediging.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 juli 2026 besloten op de verzoeken van de verdediging te reageren per vonnis. De rechtbank wijst de verzoeken van de verdediging af. De verzoeken zijn in een laat stadium ingediend en de beoogde verhoren zouden blijkens de door de verdediging verstrekte toelichting kennelijk enkel dienen om de relatie van de verdachte met de politie nader uit te diepen. Daarmee gaat het om onderzoek dat niet noodzakelijk is voor de beantwoording van de vragen bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
4.2.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
4.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Parketnummer 09/098692-26 (dagvaarding I)
hij op 21 maart 2026 te ’s-Gravenhage [politieambtenaar 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [politieambtenaar 1] dreigend de woorden toe te voegen
- “ Kogels heb ik voor jullie allemaal, voor jou ook!”,
- “ Ik heb pipa. Roekeloos kom ik zo meteen naar buiten, zonder berouw als Anti’s zonder berouw. Klaar om mensen te laten slapen.”,
- “ Ik heb cadeautje voor jullie. Welkomstcadeau. Kogels, hoerenkinderen”,
- “ Hollow-point kogels heb ik voor iedereen vandaag”,
- “ Ik heb hete olie op jullie kankerhoofd. Kom binnen, niet kloppen kom binnen, kom binnen!”,
- “ Jullie kankerlijers van Haagwonen kogels heb ik voor jullie”,
- “ Dat ik hollow-point heb voor hun en hete olie in hun kanker gezicht, ja. Zeg tegen hun dat [verdachte] dat voor hun heb, ja. […] Heb je begrepen [politieambtenaar 1] ?” en
- “ Ik ben klaar voor jullie. Kogels heb ik voor jullie, heb je begrepen [politieambtenaar 1] ?”.
Parketnummer 09/062627-26 (dagvaarding II)
hij op 2 maart 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [politieambtenaar 2] (hoofdagent bij de Eenheid Den Haag) en [politieambtenaar 3] (agent bij de Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “kankerflikkers” en “kankerhoer” en “kankerlijers”.
Parketnummer 09/009742-26 (dagvaarding III)
1
hij op 12 januari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk een ambtenaar, te weten [politieambtenaar 4] (politieambtenaar), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “kankerflikker”.
2
hij op 12 januari 2026 te 's-Gravenhage, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [politieambtenaar 4] (politieambtenaar), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door het autoportier dicht te doen en het vastpakken van die [politieambtenaar 4] bij de jas en het aanspannen van de spieren.
Parketnummer 09/015678-26 (dagvaarding IV)
hij op 15 januari 2026 te ’s-Gravenhage [politieambtenaar 4] (hoofdagent bij de Eenheid Den Haag) heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [politieambtenaar 4] dreigend de woorden toe te voegen “Ik draai niet op Haagse bluf [politieambtenaar 1] , ik ga zijn kanker hoofd voor hem breken wanneer ik hem tegenkom”.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De oplegging van de straf

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in
een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee
jaren wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij verzocht dat wordt beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tweemaal bedreigen van agenten, het tweemaal beledigen van agenten en wederspannigheid bij zijn aanhouding. Dit zijn ernstige feiten, waarbij het handelen van de verdachte in toenemende mate wordt gekenmerkt door agressie die expliciet is gericht tegen opsporingsambtenaren in het algemeen, maar ook tegen een aantal van hen in het bijzonder. Deze agressie jegens de politie vormt veelal geen reactie op enig handhavend optreden van de politie jegens de verdachte, maar ontstaat spontaan en zonder directe aanleiding. Het voorgaande acht de rechtbank des te kwalijker, nu opsporingsambtenaren ongestoord hun werk moeten kunnen doen in het belang van de openbare orde en veiligheid. De verdachte heeft herhaaldelijk en in toenemende mate laten zien kennelijk geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door deze opsporingsambtenaren wordt gediend. De rechtbank weegt deze omstandigheden in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 juni 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder dit jaar is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waaronder driemaal voor belediging van een ambtenaar en tweemaal voor bedreiging. De omstandigheid dat deze veroordeling in februari 2026 onherroepelijk is geworden, heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan in maart 2026.
Voldoet de verdachte aan de vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel?
Nu de officier heeft gevorderd de verdachte de ISD-maatregel op te leggen, dient de rechtbank na te gaan of voldaan is aan de wettelijke vereisten – de zogenoemde ‘harde criteria’ – voor het opleggen daarvan. Uit het strafblad van de verdachte moet onder meer blijken dat hij in de vijf jaren voordat hij (één van) de bewezenverklaarde feiten heeft begaan, ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld (dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd). Voorts moeten de bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de gehele tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen.
De rechtbank stelt vast dat uit het strafblad van de verdachte niet blijkt dat aan voorgaande wettelijke vereisten is voldaan. Zo blijkt niet dat de gevangenisstraffen die aan de verdachte zijn opgelegd in de vijf jaren voorafgaande aan de bewezenverklaarde feiten, geheel ten uitvoer zijn gelegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit de rechtspraak volgt dat (ook) een voorwaardelijke straf eerst geheel ten uitvoer moet zijn gelegd, vóórdat mede op basis daarvan een ISD-maatregel kan worden opgelegd (zie HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2028).
De rechtbank komt tot de conclusie dat de ISD-maatregel niet aan de verdachte kan worden opgelegd.
Gevangenisstraf
Gelet op de ernst en hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten, samen met het strafblad van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 134 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

8.De vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces (dagvaarding IV) en vordert een schadevergoeding van € 400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
8.2.
Het oordeel van de rechtbank
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Uit de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde toelichting heeft benadeelde partij de gevolgen naar aanleiding van het strafbare feit omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering echter onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd om op basis van deze toelichting, een aantasting van de persoon op andere wijze te kunnen aannemen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
57, 63, 180, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I, dagvaarding II, dagvaarding III en dagvaarding IV tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
Parketnummer 09/098692-26 (dagvaarding I)
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Parketnummer 09/062627-26 (dagvaarding II)
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
Parketnummer 09/009742-26 (dagvaarding III)
ten aanzien van feit 1:
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
ten aanzien van feit 2:
wederspannigheid;
Parketnummer 09/015678-26 (dagvaarding IV)
bedreiging met zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
134 (HONDERD EN VIERENDERTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij [politieambtenaar 4] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson en A.E. van Gent, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juli 2026.