ECLI:NL:RBDHA:2026:21172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
NL26.40322
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 94 VwArt. 5.6 VbArt. 5.7 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vreemdelingenwet. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de bewaring en de vraag of een schadevergoeding toekomt.

De minister heeft eiser op 17 juli 2026 in bewaring gesteld vanwege het risico dat eiser zich zou onttrekken aan het toezicht, mede omdat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen en onjuiste gegevens heeft verstrekt. De minister heeft tijdens de zitting de gronden b en t laten vallen. De rechtbank stelt vast dat de kennisgeving van de bewaring onverwijld is gedaan en dat de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet is bestreden.

De rechtbank oordeelt dat de overgebleven gronden a en d feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de bewaring te dragen. Ook de overige gronden p, r en s zijn feitelijk juist en ondersteunen het onderduikrisico. De minister hoefde geen lichter middel toe te passen, mede gelet op de medische omstandigheden en het beschikbare zorgaanbod in detentie. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de afhandeling van de asielaanvraag.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd, het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40322

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring [1] die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vw. [2] Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [3]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 17 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Op de zitting heeft de minister de c-grond laten vallen.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. [4] Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is in de rechtbank in Groningen verschenen, samen met zijn gemachtigde en een tolk. Ook is de gemachtigde van de minister verschenen. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De bewaring is gebaseerd op de b-grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw. De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Ook voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb [5] moeten voordoen. [6]
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. [7]
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een asielaanvraag, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico (b-grond).
4.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuist of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4.2.
De minister heeft op de zitting de gronden b en t laten vallen.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Onverwijlde kennisgeving
6. Eiser stelt dat de kennisgeving niet onverwijld is gedaan. Volgens eiser heeft de kennisgeving pas twee dagen nadat eiser in bewaring is gesteld, plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast eiser op 17 juli 2026 omstreeks 14:20 in bewaring is gesteld en dat de kennisgeving op 17 juli om 18:06 is gezonden. De kennisgeving heeft daarom onverwijld plaatsgevonden. De rechtbank verwijst daarbij naar de mail met bijlagen van 20 juli 2026, pagina 9, die de minister op 27 juli 2026 heeft toegevoegd aan het dossier.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Als goed gemotiveerd is dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat [8] , vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. [9] De rechtbank oordeelt hierna, onder ‘Gronden’, dat sprake is van een onderduikrisico.
Gronden
7. Eiser heeft op de zitting alle gronden betwist. Ter zitting heeft de minister de gronden b en t laten vallen. Deze gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
7.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden onvoldoende te achten. De minister heeft ten eerste grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, nu eiser niet beschikt over vereiste reisdocumenten om Nederland op te voorgeschreven wijze in te reizen. De omstandigheid dat eiser stelt per ongeluk Nederland te zijn ingereisd, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Daarnaast heeft eiser zich niet onverwijld bij de autoriteiten gemeld met het verzoek om internationale bescherming. De stelling van eiser dat hij niet op de hoogte was van de geldende regels met betrekking tot het zich direct melden bij de autoriteiten bij het hebben van een asielwens, leidt niet tot een ander oordeel.
Ook grond d is feitelijk juist. Eiser heeft verklaard dat hij eerder gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort. Daarnaast heeft eiser wisselende verklaringen afgelegd over de reden van zijn komst naar Nederland. De stelling van eiser dat hij direct heeft aangegeven dat het om een vals paspoort ging en dat hij deze keer Nederland is ingereisd met zijn eigen Turkse identiteitskaart, leidt niet tot een ander oordeel. De gronden a en d zijn voldoende om de maatregel te dragen. Hieruit volgt reeds het risico op onderduiken. Volledigheidshalve worden de overige gronden ook nog besproken.
Ten aanzien van grond j heeft de rechtbank in het dossier geen besluit aangetroffen waarin een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond. De feitelijke juistheid van deze grond staat dus niet vast.
Daarnaast heeft de minister grond p terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser beschikt niet over geldige documenten waarmee hij Nederland op de voorgeschreven wijze mag inreizen. Bovendien heeft eiser zich bij aankomst in Nederland niet onverwijld bij de autoriteiten gemeld. De stelling van eiser dat hij wel beschikte over een geldige Turkse identiteitskaart leidt niet tot een ander oordeel nu deze identiteitskaart niet een vereist document is waarmee hij Nederland in mocht reizen. Ook gronden r en s zijn feitelijk juist. Eiser staat niet ingeschreven in het BRP en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats; ook beschikt hij niet over voldoende middelen van bestaan. Dat van een vluchteling, zoals eiser stelt, niet kan worden verwacht een vaste woon- of verblijfplaats en financiële middelen te hebben, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af.
7.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister om een onderduikrisico aan te nemen.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister terecht ervan uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel, dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het risico tot onttrekken aan het toezicht vaststaat. [10]
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken. De rechtbank ziet het feit dat eiser in afwachting is van een beslissing op zijn asielaanvraag en graag in een asielzoekerscentrum wil verblijven, geen aanleiding om te oordelen dat hierdoor een lichter middel had moeten worden opgelegd. Zoals hiervoor onder ‘Gronden’ is overwogen, veronderstellen de gronden van de maatregel een onderduikrisico.
Voortvarend handelen
8. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank stelt vast dat eiser op 17 juli 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en dat op 25 juli 2026 een gehoor opvolgende aanvraag heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in onderhavige procedure onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.
Zicht op uitzetting
10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 [11] heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [12]
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Hierna: bewaring.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
7.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
8.Zie artikel 5.6, tweede en derde lid, van het Vb.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011).
10.Zie artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
12.Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2016, ECLI:EU:C:2026:148.