ECLI:NL:RBDHA:2026:2123

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.39986
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over afwijzing mvv-aanvraag jongvolwassenenbeleid

Eisers, broers van een referent met een verblijfsvergunning, dienden een mvv-aanvraag in voor verblijf op basis van familie- en gezinsleven. De minister wees deze aanvraag af omdat eisers volgens hem niet voldeden aan het jongvolwassenenbeleid, met name omdat zij in eigen onderhoud zouden voorzien.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen. De minister heeft niet alle relevante individuele omstandigheden betrokken, zoals de aard en frequentie van het werk en de financiële afhankelijkheid van eisers van hun ouders en oom.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het jongvolwassenenbeleid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39986

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser 1

geboren op 8 juli 2002
V-nummer: [nummer]
en

[naam] , eiser 2

geboren op 25 januari 2004
V-nummer: [nummer]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers niet voldoen aan het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft zijn standpunt dat eisers in hun eigen onderhoud voorzien niet voldoende gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 8 december 2022 een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij hun broer [naam] (referent) in verband met familie- of gezinsleven. De minister heeft eisers op 17 mei 2024 gehoord. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 31 mei 2024 afgewezen.
2.1.
De minister heeft referent op 11 juni 2025 gehoord.
2.2.
Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers, hun familie en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Voorgeschiedenis

3. Eisers zijn de broers van referent. Eisers zijn samen met referent, hun ouders en zusjes uit Syrië naar Turkije gevlucht. Referent is in 2021 vanuit Turkije naar Nederland gevlucht en heeft op 19 oktober 2022 een verblijfsvergunning asiel gekregen.
4. Eisers hebben op 8 december 2022 een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij referent op basis van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [1] De ouders en twee minderjarige zusjes van eisers hebben gelijktijdig met deze aanvraag een mvv-aanvraag gedaan voor verblijf bij referent in het kader van nareis asiel.
5. De minister heeft de aanvraag van de ouders en de minderjarige zusjes van eisers en referent ingewilligd. De minister heeft de aanvraag van eisers met het bestreden besluit afgewezen.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag van eisers afgewezen, omdat volgens hem geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Eisers waren volgens de minister meerderjarig op het moment dat referent Nederland inreisde en ten tijde van de mvv-aanvraag. Eisers voldoen volgens de minister niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, omdat zij zelf in hun eigen onderhoud voorzien. Zij hebben gewerkt in een naaiatelier en uit de verklaringen blijkt dat zij een bijdrage leverden aan het gezinsinkomen, waardoor zij niet meer financieel afhankelijk zijn van hun ouders. Ook op dit moment voorzien eisers volgens de minister in hun eigen levensonderhoud. Zij redden zich met het geld dat zij verdienen en betalen daarvan huur. Bovendien is eiser 2 in staat om geld te sparen en daarvan een rijbewijs te bekostigen. Tot slot is volgens de minister geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun ouders en is geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eisers en referent en tussen eisers en hun zusjes.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
7. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
Peilmoment
8. Eisers voeren aan dat de minister niet het juiste peilmoment heeft gehanteerd. De minister moet kijken naar het moment van de aanvraag van de gezinshereniging. De minister heeft ten onrechte feiten en omstandigheden die zich na de aanvraag hebben voorgedaan betrokken en gesteld dat eisers stappen naar zelfstandigheid hebben gezet. Volgens eisers is dit in strijd met het arrest A en S van het Hof van Justitie van de EU. [2] Van belang is volgens eisers dat referent al lang geleden een asielaanvraag heeft gedaan en dat de asiel- en gezinsherenigingsprocedures lang duren. Het is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om een steeds verschuivend peilmoment te hanteren.
9. De beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt dat het peilmoment voor de beoordeling van het familie- en gezinsleven in reguliere gezinsherenigingszaken het moment van het besluit op de gezinsherenigingsaanvraag is, maar dat de minister bij het besluit op bezwaar ook de feiten en omstandigheden moet meenemen die zich hebben voorgedaan in de periode tussen het besluit op aanvraag en het besluit op bezwaar. [4] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet daarop het juiste peilmoment gehanteerd en mocht de minister ook feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de aanvraag en na het primaire besluit bij de beoordeling betrekken. De verwijzing van eisers naar het arrest A en S leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest ziet op het peilmoment in de situatie waarin de referent een – aanvankelijk – minderjarige alleenstaande asielzoeker was en gedurende de asielprocedure meerderjarig is geworden. Daarvan is in de zaak van eisers geen sprake.
Jongvolwassenenbeleid
10. Eisers voeren aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij niet onder het jongvolwassenenbeleid vallen. De minister concludeert ten onrechte dat eisers voor zichzelf kunnen zorgen en in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Eiser 2 heeft zijn rijbewijs alleen kunnen bekostigen door de financiële steun van zijn ouders en oom. De conclusie van de minister dat eisers zich kunnen redden met het geld dat zij verdienen, berust op een aanname. Eisers hebben duidelijk verklaard dat zij niet voor zichzelf kunnen zorgen en financieel nog (deels) afhankelijk zijn van hun ouders en oom. Referent heeft verklaard dat eisers soms twee dagen per week werken, dat hun oom hen soms financieel onderhoudt en dat de vader elke twee a drie maanden geld stuurt. Dat eisers hebben gewerkt in kledingateliers, is een situatie die uit nood is geboren. Met de inkomsten kunnen zij niet in hun eigen levensonderhoud voorzien. Verder wonen eisers bij hun oom en niet zelfstandig. Als de oom terugkeert naar Syrië, kunnen zij zich niet redden, laat staan dat zij zich zelfstandig en moeiteloos kunnen handhaven.
Toetsingskader
11. Het jongvolwassenenbeleid houdt in dat de minister familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s), zonder dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het jongvolwassenenbeleid is van toepassing als het meerderjarige kind feitelijk nog tot het gezin van de ouders behoort. De minister stelt dit vast aan de hand van vier voorwaarden. Een meerderjarig kind behoort feitelijk tot het gezin van zijn ouders als hij:
jongvolwassen is;
met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. [5]
11.1.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 [6] over het jongvolwassenbeleid volgt dat deze vier voorwaarden cumulatief zijn. Dat betekent dat als het meerderjarige kind niet voldoet aan één van deze voorwaarden, de feitelijke gezinsband met zijn ouders als verbroken wordt beschouwd en hij dus niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. De minister moet een op het individuele geval toegespitste beoordeling maken van elk van de vier cumulatieve voorwaarden en hij moet daarbij alle relevante omstandigheden betrekken.
11.2.
Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt de minister of sprake is van familie- of gezinsleven op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [7]
Omvang van het geschil
12. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers jongvolwassen zijn en tot het vertrek van hun ouders uit Turkije altijd hebben samengewoond met hun ouders. Partijen verschillen van mening over de vraag of eisers in hun eigen onderhoud voorzien.
Wat vindt de minister?
13. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers in Turkije hebben gewerkt in een naaiatelier en dit nog steeds doen. Volgens de minister is niet relevant dat eisers het geld dat zij verdienden afdroegen aan hun ouders en daarmee een bijdrage aan het gezinsinkomen leverden. Zij waren in staat om werk te zoeken, te werken en voor inkomsten te zorgen en kunnen daarom volgens de minister in hun eigen levensonderhoud voorzien. Eisers wonen inmiddels bij hun oom, betalen huur en eiser 2 heeft een rijbewijs kunnen bekostigen. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de beoordeling gebaseerd is op de feitelijke situatie sinds 2014 en dat eisers sinds die tijd altijd hebben gewerkt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
14. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt dat eisers in hun eigen onderhoud voorzien onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de Afdeling moet de minister bij de toepassing van het vereiste ‘niet in het eigen onderhoud voorzien’ alle individuele omstandigheden betrekken in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). De minister dient kenbaar te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s). [8]
14.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet alle individuele feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de omstandigheid dat eisers werk(t)en kenbaar bij de beoordeling betrokken. De toelichting van de minister op de zitting dat de beoordeling gebaseerd is op de feitelijke situatie sinds 2014 en dat eisers sinds die tijd altijd hebben gewerkt, acht de rechtbank ook niet toereikend. De minister miskent daarmee allereerst dat hij moet beoordelen of eisers daadwerkelijk in hun eigen onderhoud voorzien en niet of zij dit zouden kunnen. Verder heeft de minister bij de beoordeling of eisers in hun eigen onderhoud voorzien naar het oordeel van de rechtbank de aard en frequentie van het werk en de reden voor eisers om te werken onvoldoende betrokken. Uit de verklaringen van eisers en referent blijkt namelijk dat eisers wel bij verschillende naaiateliers hebben gewerkt, maar dat zij soms twee dagen per week en soms niet werk(t)en. Verder blijkt uit de verklaringen dat eisers werkten om hun vader te helpen en om een bijdrage aan het gezinsinkomen te leveren. Uit het feit dat eisers sinds hun komst naar Turkije hebben gewerkt, volgt daarom naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat eisers in hun eigen onderhoud voorzien of zelfstandig wilden worden. Tot slot heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van referent dat eiser 2 in Turkije een rijbewijs heeft bekostigd van geld dat hij heeft gespaard en dat eisers volgens hem huur betalen aan de oom tot de conclusie leiden dat eisers inmiddels in hun eigen onderhoud voorzien. Referent heeft namelijk ook verklaard dat de oom eisers soms financieel moet onderhouden en dat zijn vader elke twee à drie maanden geld stuurt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering. Het is aan de minister om een nieuwe beoordeling te maken aan de hand van alle individuele feiten en omstandigheden.
15.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en moet daarbij rekening houden met deze uitspraak. [9] De rechtbank geeft de minister daarvoor zes weken de tijd.
15.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 juli 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Arrest van 12 april 2018 (C-550/16, ECLI:EU:C:2018:248).
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4630).
5.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2145 en 2146) en de uitspraak van 15 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3306.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2145).
9.De Rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.