ECLI:NL:RBDHA:2026:21230

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL25.5272
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing visum kort verblijf

Eiseres, een gepensioneerde vrouw uit Iran met twee meerderjarige kinderen, verzocht om een visum kort verblijf om haar oudste zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af vanwege twijfel over haar terugkeer naar Iran, waarbij onvoldoende economische en sociale binding werd vastgesteld.

Eiseres maakte bezwaar, maar de minister verklaarde dit bezwaar kennelijk ongegrond zonder een hoorzitting te houden. De rechtbank oordeelt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de procedure en dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting. Eiseres had voldoende inspanningen geleverd om haar binding met Iran aan te tonen, onder meer door het overleggen van financiële documenten en het aangeven van zorg voor haar hulpbehoevende moeder.

De rechtbank stelt vast dat de minister door het ontbreken van een hoorzitting onvoldoende informatie kon verkrijgen en dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond verklaard had mogen worden. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiseres in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het besluit wordt vernietigd en de minister moet een nieuwe beslissing met hoorzitting nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5272
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1964, van Iraanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: verweerder

(gemachtigde: Mr. F. Witteman).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 3 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 11 september 2024 tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 januari 2025 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
2.2.
Op 3 februari 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.
2.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Eiseres heeft aan de zitting deelgenomen middels een videoverbinding. Ook waren aanwezig: de zoon van eiseres en zijn vriendin, [referent] (de referent), evenals I. Soltani als tolk in de taal Farsi. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiseres is gescheiden en heeft twee meerderjarige kinderen. Haar oudste zoon woont in Nederland en haar jongste zoon woont bij haar in Iran. Eiseres wil in Nederland op bezoek bij haar oudste zoon en zijn vriendin (de referent).
Besluitvorming
4.1.
De visumaanvraag is afgewezen, omdat er bij verweerder twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar Iran. Volgens verweerder is het ontvangen van een pensioenuitkering, het bezitten van een appartement en een auto en het beschikken over andere economische middelen onvoldoende om te spreken van economische binding met Iran. Daarnaast is er volgens verweerder ook onvoldoende sprake van een sociale binding met Iran. Zo heeft eiseres volgens verweerder niet aangetoond dat haar moeder hulpbehoevend is en dat eiseres haar verzorgt.
4.2.
Op de zitting heeft verweerder uitgelegd dat niet wordt tegengeworpen dat eiseres onvoldoende economische binding heeft met Iran.
Procesbelang
5. De rechtbank stelt allereerst ambtshalve vast dat eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Dat de Nederlandse ambassade in Iran op dit moment gesloten is doet hier niet aan af. Eiseres heeft belang bij de behandeling van haar beroep, omdat zij zodra de ambassade weer open is zich hier weer kan melden. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.
De hoorplicht
6.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.
6.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [1] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Het horen in bezwaar heeft, gelet op de wetsgeschiedenis, niet enkel het doel om een nadere mondelinge toelichting te geven. Een hoorzitting kan er ook toe dienen om nadere informatie ter beschikking te krijgen en het biedt de gelegenheid om naar een oplossing voor de gerezen problemen te zoeken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [2] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval niet had mogen afzien van het houden van een hoorzitting in de bezwaarfase. De rechtbank zal dat hieronder nader uiteenzetten.
6.4.
De rechtbank merkt op dat eiseres inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te overleggen ter onderbouwing van haar binding met Iran. Bij haar visumaanvraag heeft zij een bankafschrift, documenten ten aanzien van haar pensioenuitkering en een eigendomsakte van haar appartement en haar auto overgelegd. Ook heeft ze aangegeven dat ze een sterke sociale binding heeft met Iran, doordat haar jongste zoon bij haar woont en doordat zij haar hulpbehoevende 91-jarige moeder verzorgt. In het primaire besluit is verweerder hier slechts summier op ingegaan en is er voornamelijk gekeken naar de economische situatie van eiseres. In reactie hierop heeft eiseres in bezwaar daarom aangegeven dat zij 2 miljard Iraanse Rial (omgerekend ongeveer € 1.260,-) op de bank heeft staan en dat zij 4 miljard Iraanse Rial heeft geïnvesteerd in de aandelenmarkt. Ook heeft ze aangegeven dat ze in een kluis 33 gouden munten en respectievelijk € 3.700,- en $ 4.500,- aan contant geld heeft. Daarbij heeft ze herhaald dat ze haar moeder moet verzorgen en dat haar jongste zoon die nog aan het studeren is bij haar woont. Tevens heeft ze aangegeven dat de meeste van haar directe familieleden in Iran wonen. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiseres in bezwaar geen gemachtigde had die haar vertegenwoordigde. Op zitting heeft eiseres uitgelegd dat ze daardoor bijvoorbeeld niet wist dat het ook relevant was om informatie over haar leverziekte en haar medische behandeling in Iran te overleggen.
6.5.
De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat verweerder het bezwaar van eiseres niet kennelijk ongegrond had kunnen verklaren. Verweerder had juist door middel van een hoorzitting verduidelijking kunnen krijgen op punten waar nog vragen over bestonden. Zo had verweerder nadere vragen kunnen stellen over de zorg van eiseres voor haar moeder. De rechtbank merkt daarbij op dat de zoon van eiseres op de zitting vertelde dat eiseres is gescheiden omdat zij veel tijd besteedde aan de zorg voor haar moeder. Los daarvan heeft de zoon van eiseres ook ter zitting aangegeven dat zijn vader vorig jaar met een visum naar Nederland is gereisd en ook weer tijdig is teruggekeerd naar Iran. De rechtbank merkt op dat dit niet direct iets zegt over eiseres haar voornemen om terug te keren, maar dat dit desalniettemin op een hoorzitting besproken had kunnen worden.
7. Nu het beroep gegrond is omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 7:2, 7:3 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Verweerder heeft de hoorplicht geschonden en het besluit is daardoor niet goed gemotiveerd.
8.2.
Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Alvorens een nieuw besluit te nemen, zal eiseres in de gelegenheid gesteld moeten worden om tijdens een hoorzitting te worden gehoord. De rechtbank stelt daarom een termijn van acht weken om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
8.3.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, draagt de rechtbank verweerder op om het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
8.4.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit ;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.