ECLI:NL:RBDHA:2026:21236
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-voldoen aan connexiteitsvereiste
In deze zaak heeft verzoeker een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee hij wilde afwachten op de uitkomst van zijn verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De kern van de beoordeling betrof het connexiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:81, eerste lid, Awb. Dit vereiste bestaat uit een formeel en een materieel aspect: er moet een lopende bezwaar- of beroepsprocedure zijn tegen een besluit, en de voorlopige voorziening moet betrekking hebben op datzelfde besluit. Verzoeker had op 27 mei 2025 verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2025, maar dit verzet was bij uitspraak van 27 oktober 2025 ongegrond verklaard.
Omdat het verzet inmiddels is afgewezen, bestaat er geen lopende procedure meer die connexiteit kan waarborgen. Hierdoor voldoet het verzoek om voorlopige voorziening niet aan het connexiteitsvereiste en is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af zonder inhoudelijke behandeling en zonder proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.H.G. Odink en griffier E. Waal, en is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan het connexiteitsvereiste.