ECLI:NL:RBDHA:2026:21236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL25.23994
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-voldoen aan connexiteitsvereiste

In deze zaak heeft verzoeker een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee hij wilde afwachten op de uitkomst van zijn verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De kern van de beoordeling betrof het connexiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:81, eerste lid, Awb. Dit vereiste bestaat uit een formeel en een materieel aspect: er moet een lopende bezwaar- of beroepsprocedure zijn tegen een besluit, en de voorlopige voorziening moet betrekking hebben op datzelfde besluit. Verzoeker had op 27 mei 2025 verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2025, maar dit verzet was bij uitspraak van 27 oktober 2025 ongegrond verklaard.

Omdat het verzet inmiddels is afgewezen, bestaat er geen lopende procedure meer die connexiteit kan waarborgen. Hierdoor voldoet het verzoek om voorlopige voorziening niet aan het connexiteitsvereiste en is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af zonder inhoudelijke behandeling en zonder proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.H.G. Odink en griffier E. Waal, en is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan het connexiteitsvereiste.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.23994
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker om de procedure van zijn verzet in Nederland te mogen afwachten.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Alvorens een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk is, dient ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb te zijn voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit vereiste heeft een materieel en een formeel aspect. Het vereiste van formele connexiteit houdt in dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen, indien bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is tegen een besluit. Het vereiste van de materiële connexiteit houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op dat besluit.
3. Verzoeker heeft op 27 mei 2025 een verzetschrift ingediend tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 mei 2025. Bij uitspraak van 27 oktober 2025 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen connexiteit meer is met die procedure. Nu er niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste zal de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.