ECLI:NL:RBDHA:2026:21243
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vrijwillig vertrek met IOM in asielprocedure
Eiser, van Oezbeekse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend in Nederland. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Bulgarije verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, gezien een recent verlopen Bulgaars visum van eiser.
Eiser stelde beroep in tegen dit overdrachtsbesluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting tijdens de procedure te voorkomen. De rechtbank beoordeelde eerst of eiser procesbelang had bij de behandeling van het beroep.
Uit het dossier bleek dat eiser niet aan Bulgarije was overgedragen, maar op 29 april 2026 met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vrijwillig naar Oezbekistan was teruggekeerd. Eiser had een verklaring van vrijwillig vertrek ondertekend waarin hij instemde met intrekking van lopende verblijfsprocedures.
De rechtbank oordeelde dat eiser daardoor geen actueel en reëel belang meer had bij de beoordeling van het beroep tegen het overdrachtsbesluit. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na vrijwillig vertrek met IOM.