ECLI:NL:RBDHA:2026:21245
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie wegens ontbreken noodzaak en onvoldoende onderzoek lichter middel
Eiser werd op 19 juli 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde de rechtbank hiervan in kennis, wat gelijkgesteld werd met een beroep en verzoek om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 28 juli 2026.
Eiser betoogde dat de grensdetentie niet noodzakelijk was en dat onvoldoende was onderzocht of een lichter middel volstond, mede gezien zijn individuele omstandigheden zoals het direct overgedragen paspoort en zijn status in Griekenland. De minister stelde dat de grensprocedure en grensdetentie noodzakelijk waren vanwege het grensbewakingsbelang en dat er voldoende onderzoek was gedaan.
De rechtbank oordeelde dat de minister voorbijging aan eerdere jurisprudentie waarin werd gesteld dat de grensprocedure niet verplicht is buiten de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde situaties. De noodzaak van grensdetentie moet op andere gronden worden onderbouwd, wat in deze zaak ontbrak. Ook is detentie een ultimum remedium en moet eerst worden onderzocht of lichtere middelen effectief zijn. De rechtbank concludeerde dat de opgelegde grensdetentie onrechtmatig was en beveelt onmiddellijke opheffing.
Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.320,- voor 11 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de minister in de proceskosten van €1.868,-. De uitspraak werd gedaan door rechter M.B. de Boer op 29 juli 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de grensdetentie onrechtmatig, beveelt onmiddellijke opheffing en kent schadevergoeding toe.