ECLI:NL:RBDHA:2026:21256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41078
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 59c Vreemdelingenwet 2000Art. 5.5 VreemdelingenbesluitArt. 5.6 lid 1 en lid 2 VreemdelingenbesluitArt. 67 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van onderduikrisico en openbare orde

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de gronden voor de maatregel, waaronder het onderduikrisico en de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring.

De rechtbank oordeelde dat de minister de maatregel terecht heeft opgelegd omdat sprake is van een onderduikrisico, gegrond op meerdere feiten zoals het niet naleven van verblijfsregels, het niet beschikken over vaste woonplaats en middelen van bestaan, en eerdere ongewenstverklaring. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over schending van het hoorrecht en het verdedigingsbeginsel, omdat eiser voldoende gelegenheid had om zijn standpunten en persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen.

Ook het beroep dat de minister een onjuist toetsingskader hanteerde vanwege het EU-burgerschap van eiser werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat de beëindiging van het EU-verblijfsrecht en de ongewenstverklaring rechtsgeldig zijn. Het standpunt van de minister dat geen lichter middel dan vreemdelingenbewaring doeltreffend was, werd bevestigd, mede vanwege het onttrekkingsrisico.

Ten slotte concludeerde de rechtbank dat het dossier volledig was en de minister voortvarend had gehandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.41078
V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. [1]
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 21 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.N. Gulei als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. [2] De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [3] Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. [4] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [5]
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Eiser betwist de gronden onder a, g, p, r en s. Volgens hem zijn de gronden onder a en p woordelijk identiek en kan de grond onder a niet worden tegengeworpen, omdat eiser een Unieburger is. De gronden r en s berusten volgens eiser uitsluitend op raadpleging van de BRP en het ontbreken van geld bij de fouillering, en is dit niet aan eiser gevraagd. De grond onder g kan volgens eiser niet worden tegengeworpen, omdat de ongewenstverklaring van 16 maart 2026 niet rechtsgeldig bekend is gemaakt. Hij zat op dat moment gedetineerd, dus had de ongewenstverklaring niet in de Staatscourant gepubliceerd mogen worden, maar had het aan hem in detentie kunnen worden uitgereikt.
5.1.
Deze beroepsgronden slagen niet. Anders dan eiser aanvoert zijn de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd. De minister mag de grond onder a aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. De minister heeft verder in het kader van de grond onder g een stuk aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat de ongewenstverklaring van eiser op 17 maart 2026 is gepubliceerd én per aangetekende post aan eiser is verstuurd. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat hij de ongewenstverklaring niet heeft ontvangen. De rechtbank wijst er nog op dat eiser aansluitend aan zijn detentie ook is uitgezet, waardoor hij ervan op de hoogte was dat hij niet in Nederland mocht verblijven. Ook de gronden onder p, r en s mocht de minister tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist zijn en de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hieruit een onttrekkingsrisico volgt. De gronden en de niet betwiste grond onder b zijn dan ook voldoende om de maatregel te dragen.
Heeft de minister voldaan aan zijn hoorplicht en het verdedigingsbeginsel?
6. Verder voert eiser aan dat zijn hoorrecht en het verdedigingsbeginsel zijn geschonden. Volgens eiser was hij op 21 juli 2026 niet hoorbaar. Daarnaast heeft eiser om bijstand van een raadsman verzocht en is de maatregel opgelegd zonder hem in staat te stellen met zijn raadsman te consulteren. Ook heeft de minister volgens hem onvoldoende onderzoek gedaan naar zijn medische problematiek, terwijl daar wel aanwijzingen voor waren. Eiser is bijvoorbeeld in een observatiecel geplaatst, wat niet zomaar gebeurt.
6.1.
In het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel staat opgenomen dat de gemachtigde van eiser na een piketmelding aan hem is toegewezen. De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan het gehoor telefonisch doorgegeven dat hij eiser niet kon bezoeken die dag en dat hij niet bij het gehoor aanwezig zou zijn. Eiser heeft vervolgens telefonisch met zijn gemachtigde gesproken, zo volgt uit het proces-verbaal. Omdat de gemachtigde van eiser had aangegeven die dag niet te kunnen verschijnen, is de verbalisant gestart met het gehoor. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze gang van zaken. Toen na afloop eiser nogmaals heeft aangegeven zijn gemachtigde te willen spreken, is hij tweemaal in de gelegenheid gesteld om zijn gemachtigde te bellen. Beide keren kwam geen gehoor tot stand. Daarbij volgt duidelijk uit het proces-verbaal dat eiser niet mee wilde werken. Tijdens het gehoor valt hij meerdere keren in slaap en maakt de verbalisant hem meerdere keren wakker. De verbalisant heeft eiser vervolgens terug gebracht naar het dagverblijf en heeft later het gehoor weer hervat. Opnieuw valt eiser meerdere keren in slaap en geeft hij aan dat hij niet met de verbalisant wil praten. De rechtbank concludeert dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen en dat hij ook de mogelijkheid heeft gehad om met zijn gemachtigde te praten voorafgaand aan het gehoor.
6.2.
Ook eisers beroepsgrond dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar zijn medische problematiek, slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen is het gehoor later hervat, zodat eiser de kans kreeg om te slapen. De rechtbank ziet hierin dat er voldoende rekening is gehouden met eisers (medische) omstandigheden. In de maatregel zijn eisers (medische) omstandigheden ook meegewogen. Zo is er in de maatregel opgenomen dat er een basepijpje is bij eiser werd aangetroffen, wat kan duiden op harddrugs. Verder is er in de maatregel verwezen naar de medische dienst. Dat eiser op enig moment in een observatiecel is geplaatst, maakt het voorgaande niet anders. Als hij het niet eens is met zijn plaatsing in de observatiecel of zijn behandeling, dan kan hij hierover een klacht indienen bij de directeur van het detentiecentrum.
Is er gebruik gemaakt een juist toetsingskader?
7. Eiser voert ook aan dat hij een Roemeense onderdaan is en daarmee is hij een Unieburger. Volgens eiser is er in dat kader gebruik gemaakt van een onjuist toetsingskader en een onjuiste grondslag bij het opleggen van de maatregel.
7.1.
De maatregel op grond van artikel 59 van Pro de Vw kan worden opgelegd aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Anders dan eiser betoogt, staan de beëindiging van zijn EU-verblijfsrecht en zijn beschikking tot ongewenstverklaring van 21 mei 2024 en 16 maart 2026 in rechte vast. Zolang deze besluiten niet zijn herroepen, gaat de rechtbank uit van de rechtmatigheid van de stukken. Zoals de minister ter zitting terecht betoogt, volgt uit artikel 5.5 van de Vb dat de maatregel op grond van artikel 59 van Pro de Vw kan worden opgelegd als een onderduikrisico bestaat. Van een onderduikrisico is sprake als ten minste twee van de gronden uit artikel 5.6 van de Vb zich voordoen. Zoals in overweging 5.1 is overwogen, is hiervan in het geval van eiser sprake. De minister heeft dus het juiste toetsingskader toegepast bij het opleggen van de maatregel.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
8. Volgens eiser is het lichter middel niet deugdelijk beoordeeld en gemotiveerd. Hij is een Unieburger en hij heeft een vertrekwens geuit. Eiser heeft namelijk verklaard naar Duitsland te willen vertrekken. Verder heeft eiser op de zitting verklaard dat, als het moet, hij ook zal meewerken aan zijn uitzetting naar Roemenië.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. [6]
8.2.
De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is gemotiveerd uitgelegd dat eiser wist dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland, maar dat hij toch terug is gekomen en herhaaldelijk in contact is gekomen met de politie vanwege strafbare feiten. Dat eiser nu aangeeft mee te willen werken, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers eerder herhaaldelijk aangegeven niet mee te willen werken en, zoals in overwegingen 5.1 en 7.1 is overwogen, is er sprake van een onttrekkingsrisico waardoor geen lichter middel opgelegd had hoeven worden.
Is het dossier volledig en handelt de minister voldoende voortvarend?
9. Ten slotte voert eiser aan dat het dossier onvolledig is. Door het onvolledige dossier heeft eiser onvoldoende inzicht in de handelingen van de minister. Daardoor is er ook onvoldoende voortvarend gehandeld, aldus eiser.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat het dossier voorafgaand aan de zitting is aangevuld met de benodigde stukken. Uit deze stukken blijkt ook dat de minister op 27 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2.Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
4.Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
5.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
6.Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.