ECLI:NL:RBDHA:2026:21271

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41593
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.6 VbArt. 4.47 VbArt. 54 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onderduikrisico ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 23 juli 2026. De maatregel was gebaseerd op het risico dat eiser zou onderduiken in het kader van een overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Verweerder stelde dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland was binnengekomen, zich niet aan verplichtingen had gehouden en geen vaste woon- of verblijfplaats had, wat het onderduikrisico rechtvaardigde. Eiser betwistte deze gronden en voerde aan dat zijn medische omstandigheden onvoldoende waren onderzocht.

De rechtbank oordeelde dat de gronden a (onrechtmatige binnenkomst) en p (niet naleven van verplichtingen) feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren, waardoor het onderduikrisico aannemelijk was. De medische omstandigheden van eiser werden meegewogen, maar verweerder had voldoende medische zorg in het detentiecentrum geboden en een lichter middel was niet effectief gebleken.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41593

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb [2] kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist alle gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Verweerder heeft grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten. Ook heeft hij zich pas meer dan twee maanden na aankomst gemeld bij de autoriteiten, waarmee hij zich niet heeft gehouden aan artikel 4.47 van het Vb in relatie tot artikel 54 van Pro de Vw. De stelling dat hij geen verstand had van de Nederlandse asielprocedure doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Gelet op het voorgaande en de overige motivering in de maatregel is ook grond p feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Gronden a en p zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat verweerder zijn medische omstandigheden onvoldoende heeft onderzocht. Verweerder volstaat met een algemene stelling dat er medische zorg beschikbaar is in het detentiecentrum, zonder te beoordelen of eiser daadwerkelijk detentieongeschikt is. Sinds zijn inbewaringstelling zijn de astmaklachten van eiser verergerd, heeft hij zijn medicatie niet tijdig ontvangen, gebruikt hij aanzienlijk meer inhalaties dan voorheen, eet hij nauwelijks en is hij meerdere kilo's afgevallen. Onder deze omstandigheden had verweerder concreet moeten beoordelen of met een lichter middel kon worden volstaan.
9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Van belang is dat het toepassen van een lichter middel, zijnde een meldplicht, het voeren van vertrekgesprekken en het boeken van een vlucht, niet heeft geleid tot het vertrek van eiser. Bij de beoordeling heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder ook de medische omstandigheden, betrokken en er terecht op gewezen dat in het detentiecentrum medische faciliteiten aanwezig zijn. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat deze faciliteiten voor hem ontoereikend zouden zijn. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
10. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.