ECLI:NL:RBDHA:2026:21303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.41693
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 VwArt. 44 Asiel- en migratiebeheerverordeningArt. 5.6 VbArt. 50 lid 2 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens overschrijding ophoudingstermijn

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 23 juli 2026. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Asiel- en migratiebeheerverordening. Eiser stelde dat de wettelijke ophoudingstermijn van zes uur was overschreden met 53 minuten zonder verlengingsbesluit, waardoor de ophouding en bewaring onrechtmatig zouden zijn.

De rechtbank constateerde inderdaad een gebrek in het voortraject door de overschrijding van de ophoudingstermijn. Echter, bij de belangenafweging oordeelde de rechtbank dat de ernst van het gebrek niet opwoog tegen de belangen van verweerder, mede omdat eiser samen met anderen werd aangetroffen tijdens een illegale uitreis en onvoldoende meewerkte aan identificatie. De gronden voor de bewaring, zoals het ontbreken van reisdocumenten en het risico op onderduiken, werden als feitelijk juist en voldoende beoordeeld.

De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om schadevergoeding. Wel werden de proceskosten van eiser aan verweerder opgelegd vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel op 30 juli 2026 en is openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard ondanks overschrijding van de ophoudingstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41693

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 23 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb [2] kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Ophouding
4. Eiser wijst erop dat de wettelijke termijn voor de ophouding is overschreden met 53 minuten. Er is geen verlengingsbesluit genomen op grond van artikel 50, vijfde lid, van de Vw. Eiser is dan ook gedurende 53 minuten zonder wettelijke titel of grondslag van zijn vrijheid ontnomen. Dit maakt dat de ophouding en daaropvolgende maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig zijn.
5. De ophouding mag ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 23 juli 2026 om 14:39 uur. Eiser is op diezelfde dag om 21:32 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 53 minuten.
6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de vreemdelingenbewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen. Daarbij is verder van belang dat verweerder in de maatregel heeft toegelicht waarom het onderzoek langer heeft geduurd. Eiser werd immers tegelijk met vijf andere personen aangetroffen in een container op een schip tijdens een poging om illegaal uit te reizen. Ook heeft eiser niet concreet toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad en zijn er - zoals hierna wordt overwogen - voldoende gronden aanwezig om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
8. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. Eiser betwist alle gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen.
10. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Verweerder heeft grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten. Dat deze grond vrijwel voor alle asielzoekers geldt, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook grond c is feitelijk juist. Eiser beschikt al enige tijd niet meer over een paspoort. Hij heeft geen enkele actie ondernomen om aan een identificerend document te komen en wil ook geen contact met de autoriteiten van het land van herkomst. Ten aanzien van grond j heeft de rechtbank in het dossier geen besluit aangetroffen waarin een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond. De feitelijke juistheid van deze grond staat dus niet vast. Gronden a en c zijn echter voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer
Ambtshalve toets
11. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Gelet op het geconstateerde gebrek in het voortraject veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.