ECLI:NL:RBDHA:2026:21327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/09/706024 / KG ZA 26-562
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en uitbreiding voorlopige omgangsregeling voor jonge minderjarige

De man en vrouw, ouders van een vier maanden oude minderjarige, zijn in geschil over de omgangsregeling. De man vordert drie keer per week twee uur omgang, terwijl de vrouw een beperkt contact van één uur per week voorstelt.

De rechtbank constateert dat beide ouders het eens zijn over het belang van omgang, maar verschillen over de omvang. Gezien de jonge leeftijd van het kind en het belang van hechting, wordt een opbouwende omgangsregeling vastgesteld.

De omgang start met twee keer per week één uur en wordt vanaf de vierde week uitgebreid naar drie momenten per week, waaronder een avondmoment op maandag. De man heeft toegezegd geen middelen te gebruiken rondom de omgang, wat de vrouw zorgen baart.

De rechtbank wijst het meer gevorderde af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De ouders kunnen in onderling overleg verdere afspraken maken over de omgang.

Uitkomst: De rechtbank stelt een opbouwende voorlopige omgangsregeling vast waarbij de man geleidelijk meer omgang krijgt met zijn vier maanden oude kind.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706024 / KG ZA 26-562
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. N. Bagci-Çiçek te Den Haag,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.W. Kuiper te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde akte, inhoudende een eis in reconventie, met productie;
- de op 16 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
De man en de vrouw hebben een korte affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] . De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige] .

3.Het geschil

3.1
De man vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat hij voorlopig drie keer per week voor de duur van twee uur per keer, in de woning van de ouders van de vrouw, dan wel elders, omgang zal hebben met [minderjarige] , waarbij de man [minderjarige] zal halen en brengen als de omgang niet in de woning van de ouders van de vrouw plaatsvindt.
3.2
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man stelt dat hij na het verbreken van de relatie nog normaal contact had met de vrouw, dat hij betrokken was bij de eindfase van de zwangerschap en dat hij [minderjarige] gedurende enkele dagen na haar geboorte nog heeft gezien. De man geeft aan dat hij op 18 februari 2026 een discussie had met de vrouw waarbij ook de moeder van de vrouw betrokken was, waarna hij is weggestuurd en [minderjarige] niet meer heeft gezien. Volgens de man hebben de ouders van de vrouw, bij wie de vrouw inwoont, grote invloed op onder meer de beslissing van de vrouw om geen contact meer toe te laten tussen hem en [minderjarige] . De man stelt dat het vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] van groot belang is dat er spoedig frequent contact zal komen tussen haar en de man zodat zij een band kunnen opbouwen en [minderjarige] zich ook aan de man kan gaan hechten.
3.3
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij vindt dat een voorlopige regeling moet worden vastgesteld waarbij de man eenmaal per week gedurende één uur bij de vrouw thuis omgang heeft met [minderjarige] .

4.De beoordeling van het geschil

4.1
Uit de stukken en dat wat tijdens de zitting is besproken is gebleken dat beide ouders wensen dat er omgang komt tussen de man en [minderjarige] . De ouders zien ook allebei in dat de omgangsmomenten vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] vooralsnog slechts van beperkte duur kunnen zijn. De ouders zijn het erover eens geworden dat de omgang tussen [minderjarige] en de man in de komende weken zal plaatsvinden van 8.00 uur tot 9.00 uur, gedurende twee dagen per week. Omdat de ouders het niet eens zijn geworden over de manier waarop de omgang nadien moet worden uitgebreid, zal de voorzieningenrechter hierover een beslissing nemen.
4.2
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [minderjarige] pas vier maanden oud is en dat het daarom van belang is dat er op korte termijn frequent omgang zal zijn tussen haar en de man, omdat zij zich nog moet hechten aan de man. Ook begrijpt de voorzieningenrechter dat het vertrouwen van de vrouw in de man moet groeien omdat zij zorgen heeft over mogelijk alcohol- en drugsgebruik door de man. Daar staat tegenover dat de man uitdrukkelijk heeft toegezegd dat hij geen middelen zal gebruiken rondom de omgangsmomenten en dat hij ook bereid is om dat aan te tonen door middel van tests indien dit nodig wordt geacht. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man zich – ook zonder het afnemen van tests – aan deze toezegging zal houden. In het licht van het voorgaande en de omstandigheid dat de omgang in ieder geval in de eerste periode in de woning van de ouders van de vrouw en in nabijheid van de vrouw zal plaatsvinden, ziet de voorzieningenrechter geen beletselen om de omgang verder uit te breiden na de periode waarover de ouders afspraken hebben gemaakt. Omdat [minderjarige] nog erg jong is, zij de man nu vier maanden niet heeft gezien en het van belang is dat zij een band met de man gaat opbouwen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de omgang in zowel duur als frequentie uit te breiden.
4.3
Op basis van het voorgaande beslist de voorzieningenrechter dat de omgang na 11 juli 2026 zal worden uitgebreid van één uur naar twee uur per omgangsmoment, zoals door de vrouw ook tijdens de mondelinge behandeling is voorgesteld. Daarnaast zal er, in aanvulling op de omgangsmomenten op donderdag en zaterdag, een omgangsmoment van twee uur plaatsvinden op maandagavond. Op die dag zal de man [minderjarige] (al dan niet samen met de vrouw) omstreeks 17.30 uur ophalen bij het kinderdagverblijf en naar het huis van de ouders van de vrouw brengen, zodat hij op die dag onderdeel kan zijn van het avondritueel van [minderjarige] . De rechtbank merkt daarbij op dat het de ouders vrij staat om in onderling overleg andere afspraken te maken en afspraken kunnen maken over de nadere uitbreiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] .

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
bepaalt dat de omgang tussen de man en [minderjarige] zal worden opgebouwd conform de volgende voorlopige omgangsregeling:
  • week 1: op dinsdag 23 juni 2026 en zaterdag 27 juni 2026 van 8.00 uur tot 9.00 uur;
  • week 2: op donderdag 2 juli 2026 en zaterdag 4 juli 2026 van 8.00 uur tot 9.00 uur;
  • week 3: op donderdag 9 juli 2026 en zaterdag 11 juli 2026 van 8.00 uur tot 9.00 uur;
  • vanaf week 4: op maandag vanaf omstreeks 17.30 uur tot 19.30 uur, op donderdag van 8.00 uur tot 9.00 uur en op zaterdag van 8.00 uur tot 9.00 uur.
5.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Emmens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
A.J.K.