Art. 20 VWEUArt. 8 EVRMArtikel 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verblijfsdocument EU/EER voor vader op grond van Chavez-Vilchez en K.A. arresten
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn Nederlandse dochter te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat eiser niet had aangetoond daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken te hebben verricht voor zijn minderjarige dochter. Tevens werd het beroep op het arrest K.A. verworpen, omdat er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestond dat zij niet van elkaar gescheiden konden worden.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd en dat hij jarenlang in gezinsverband met zijn dochter had gewoond. De rechtbank oordeelde echter dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende waren om daadwerkelijke zorgtaken aan te tonen en dat eiser zelf verklaarde het gezin anderhalf jaar na de geboorte van zijn dochter te hebben verlaten.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht had geoordeeld dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez en dat er geen uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie bestond zoals vereist volgens het arrest K.A. Ook werd geoordeeld dat het besluit geen schending van artikel 8 EVRMPro opleverde. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.27481 en NL25.27482
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 9 februari 2026 in de zaak tussen
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] . Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referente, de gemachtigde van eiser en B. Badouri als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1978 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 9 juni 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 vanPro het VWEU [2] , waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiser beoogt verblijf bij zijn dochter, [referente] (referente). Referente is geboren op [geboortedatum 2] 2006 en heeft de Nederlandse nationaliteit.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez [3] . Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij daadwerkelijke zorgtaken heeft verricht voor zijn ten tijde van de aanvraag minderjarige kind. Verder heeft verweerder – nu eiseres meerderjarig is – geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het arrest K.A. [4] , omdat er tussen eiser en referente niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. [5] Tenslotte heeft verweerder ambtshalve getoetst aan artikel 8 vanPro het EVRM [6] en geconcludeerd dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met eisers recht op familie- en privéleven.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Ten eerste heeft verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser is uitgevallen. Volgens eiser is onduidelijk wat in zijn voordeel en wat in zijn nadeel is meegewogen. Uit vaste rechtspraak volgt dat het belang van het kind voorop dient te staan. Referente heeft tijdens de hoorzitting aangegeven waarin haar belangen gelegen zijn, namelijk dat haar vader nabij is, zijn (financiële) steun, dat hij een vaderfiguur voor haar is en om de verloren jaren in te halen. Bovendien is referente in Nederland geboren en getogen en dus volledig in Nederland geworteld. Eiser is een belangrijke factor in het leven van referente en is als opvoeder nodig. Ten tweede heeft verweerder de feiten onzorgvuldig beoordeeld. Zo was eiser gehuwd met de moeder van referente en hebben zij tot aan de echtscheiding met elkaar in gezinsverband geleefd, zoals blijkt uit de BRP [7] -registratie en de verklaringen van referente tijdens de hoorzitting. Ook heeft eiser op basis van zijn gezinsleven een aanzienlijk aantal jaar een verblijfsvergunning in Nederland gehad. [8] Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Chavez-Vilchez (zorg- en opvoedingstaken)
6. In geschil is of eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken heeft verricht en of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en referente dat zij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond in het verleden daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken te hebben verricht. De in bezwaar overgelegde stukken – het betaalbewijs, twee screenshots van een transactiebewijs RIA, een foto van een brief waarop vijf betalingen aan moeder van referente staan en een foto van eiser en referente – onderbouwen niet dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken heeft verricht. Deze bewijsstukken tonen niet aan dat eiser in het verleden betrokken is geweest in het leven van referente en daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken heeft verricht. Eisers stelling dat verweerder in de BRP kan zien dat eiser en referente in het verleden hebben samengewoond, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu verweerder in het primaire besluit heeft geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ooit met zijn kind heeft samengewoond. Bovendien heeft eiser op zitting verklaard dat hij anderhalf jaar na de geboorte van referente het gezin heeft verlaten, maar wel omgang heeft gehad. Het is aan eiser om zijn aanvraag te onderbouwen. Daarnaast heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit de transactieoverzichten niet blijkt dat eiser structureel betrokken is geweest bij de verzorging van referente. Tot slot heeft verweerder ten aanzien van vijf overgelegde foto’s mogen concluderen dat deze niet voldoende zijn om aan te tonen dat eiser zorgtaken heeft verricht.
6.2.
Eiser heeft ter zitting nog gewezen op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, waaruit volgt dat verweerder moet beoordelen of eiser in het verleden voldeed aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez en dus op grond daarvan in aanmerking komt voor een vergunning op grond van voortgezet verblijf. [9] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij de aanvraag en in bezwaar niet heeft aangetoond in het verleden daadwerkelijke zorgtaken te hebben verricht en reeds hierom geen rechtmatig verblijf bestond op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
Arrest K.A. (afhankelijkheidsverhouding)
7. De rechtbank overweegt verder dat er een afgeleid verblijfsrecht kan blijven bestaan op grond van het Unierecht nadat een familielid meerderjarig is geworden. Uit het arrest K.A. [10] volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een dergelijk afgeleid verblijfsrecht kan bestaan, indien een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken. [11] De beantwoording van de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een individuele beoordeling door verweerder van de aangevoerde feiten en omstandigheden. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A, waarbij gelet op alle relevante omstandigheden sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente dat zij op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. De rechtbank heeft er oog voor dat eiser de verloren tijd wil inhalen met referente en dat de steun van eiser belangrijk is voor zijn dochter, maar niet kan worden gesproken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat zij op geen enkele manier van elkaar kunnen worden gescheiden. Verweerder heeft daarom terecht overwogen dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A.
7.2.
Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.1 en 7.1, heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verrichtte voor referente en dat er geen afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente bestaat. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor de afgifte van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEUPro. Om die reden mocht verweerder de aanvraag van eiser afwijzen.
8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het bestreden besluit geen schending oplevert van artikel 8 vanPro het EVRM. Verweerder heeft daar terecht bij betrokken dat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk en structureel betrokken is geweest bij de opvoeding van referente tijdens haar minderjarige leeftijd. Daarnaast heeft verweerder ook erop mogen wijzen dat niet is gebleken dat eiser op dit moment intensief gezinsleven uitoefent met referente.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Voetnoten
1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez en anderen, ECLI:EU:C:2017:354.
4.ECLI:EU:C:2017:821.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2017:821.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Basis Registratie Personen.
8.Eisers stelling dat verweerder de feiten met betrekking tot het wonen in gezinsverband en het hebben van een verblijfsvergunning onzorgvuldig heeft beoordeeld, is achterhaald door de verklaring van eiser ter zitting dat hij in 2005 is getrouwd en anderhalf jaar na de geboorte van zijn dochter het gezin heeft verlaten. Of en wanneer eiser heeft beschikt over een verblijfsvergunning is ter zitting niet duidelijk geworden.
9.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:645.