ECLI:NL:RBDHA:2026:21376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
709659 / KG ZA 26-840
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 39b PbwArt. 40b PbwArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedetineerde tot telefonisch contact met gezinsleden in buitenland tijdens vakantie

Eiser, gedetineerd in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught, vordert dat de Staat hem toestaat telefonisch contact te onderhouden met zijn vrouw en kinderen tijdens hun vakantie in Marokko. De aanvraag wordt afgewezen op grond van de gewijzigde Penitentiaire beginselenwet en de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen, die vereisen dat de persoon met wie wordt gebeld een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland moet hebben.

De voorzieningenrechter overweegt dat deze voorwaarde een inbreuk vormt op het recht op gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, maar dat deze inbreuk voorzien is bij wet, een legitiem doel dient (voorkomen van criminele communicatie vanuit detentie) en proportioneel is. Eiser heeft geen individuele beoordeling gekregen, maar de plaatsing in de EBI en de beperkingen zijn wel individueel getoetst en geaccepteerd door de RSJ.

De rechter erkent het belang van het gezinsleven en het belang van de minderjarige kinderen, maar acht het noodzakelijk de beperking in stand te houden vanwege het maatschappelijke risico dat eiser vormt. Het contact wordt niet onmogelijk gemaakt, aangezien er mogelijkheden zijn om te bellen buiten de vakantieperiode en bezoek mogelijk is.

De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek van de gedetineerde om telefonisch contact met zijn gezinsleden in het buitenland mogelijk te maken wordt afgewezen wegens wettelijke beperkingen en veiligheidsrisico's.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: 709659 / KG ZA 26-840
Vonnis in kort geding van 24 juli 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. E.M.J.W. Jaspar te Nuth,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDENte Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. J. Perenboom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de door [eiser] overgelegde producties I tot en met VI;
- de dagvaarding van 23 juli 2026;
- de door de Staat overgelegde producties 1 en 2;
- de door [eiser] overgelegde sommatiebrief;
- de op 24 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat een pleitnotitie is overgelegd.
1.2.
Op 24 juli 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 29 juli 2026.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 4 april 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26,5 jaar in verband met een reeks aanslagen die hij, deels vanuit detentie, heeft laten plegen. Sinds 15 mei 2022 is hij gedetineerd in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught.
Wijzigingen wet- en regelgeving
2.2.
Op 1 november 2025 is de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) gewijzigd. Aan artikel 39b is als vijfde lid toegevoegd, voor zover van belang:
‘Telefoongesprekken vanuit het buitenland kunnen enkel met toestemming van Onze Minister en onder door hem gestelde voorwaarden worden gevoerd.’
2.3.
Op 1 november 2025 is verder de Regeling toelating en weigering bezoek en beperking telefooncontacten penitentiaire inrichtingen (hierna: Rtwb) gewijzigd. Bij deze wijziging is artikel 6b ingevoerd. Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:
‘3. Voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van de wet, dient de gedetineerde een schriftelijke aanvraag te doen bij de directeur. Bij deze aanvraag wordt in ieder geval vermeld in welke taal de gedetineerde de telefoongesprekken wenst te voeren, een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de persoon gevoegd en een gelegaliseerd bewijs van inschrijving, dan wel een bewijs van inschrijving voorzien van een apostille gevoegd niet ouder dan twaalf maanden waaruit blijkt dat de persoon met wie de gedetineerde telefoneert een vaste woon- of verblijfplaats heeft in het buitenland.
4. De directeur neemt de aanvraag van de gedetineerde voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland in ontvangst. Deze aanvraag dient de directeur met de stukken bij de Minister in.
5. De Minister bepaalt aan de hand van de aanvraag of toestemming voor het voeren van telefoongesprekken buiten Nederland wordt verleend.
6. Indien toestemming door de Minister wordt verleend, wordt daarbij bepaald voor welke periode de toestemming wordt gegeven, in welke taal de telefoongesprekken worden gevoerd en op welke locatie de telefoongesprekken plaatsvinden. Tevens kan de Minister aanvullende voorwaarden stellen aan de telefoongesprekken buiten Nederland die dienstig zijn aan het toezicht op de telefoongesprekken of aan het identificeren van de persoon met wie de gedetineerde telefoneert.’
Verlenging EBI
2.4.
Bij beslissing van 6 februari 2026 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de staatssecretaris) het verblijf van [eiser] in de EBI verlengd voor de duur van twaalf maanden. Hij is van mening dat sprake is van een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van een vermoeden van algemeen gevaar voor de openbare orde of de veiligheid van personen, wegens levensbedreigend of anderszins zeer ernstig voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Ook is hij van mening dat [eiser] een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormt in termen van algemeen gevaar voor de openbare orde en veiligheid van personen vanwege de aard van de feiten waarvoor hij is veroordeeld, de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en zijn persoonlijkheid.
2.5.
Bij uitspraak van 2 juli 2026 heeft de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ) het beroep van [eiser] tegen de beslissing van 6 februari 2026 ongegrond verklaard.
Verzoek telefonisch contact buitenland
2.6.
Bij e-mail van 15 juni 2026 heeft [eiser] verzocht om telefonisch contact met zijn vrouw en kinderen mogelijk te maken gedurende hun verblijf van 5 juli 2026 tot en met 30 juli 2026 in Marokko.
2.7.
Op 7 juli 2026 heeft de staatssecretaris het verzoek van 15 juni 2026 afgewezen. In de beslissing staat dat uit het derde lid van artikel 6b van de Rtwb volgt dat de persoon met wie de gedetineerde wenst te telefoneren in het buitenland een vaste woon- of verblijfplaats moet hebben in het buitenland. De vrouw en kinderen van [eiser] zijn enkel op vakantie naar Marokko en hebben daar geen vaste woon- of verblijfplaats.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de voorzieningenrechter de Staat beveelt het mogelijk te maken voor [eiser] om telefonisch contact te kunnen onderhouden met zijn vrouw en kinderen gedurende hun verblijf in Marokko, op straffe van een dwangsom en onder veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft iedere gedetineerde recht op het onderhouden van een gezinsleven. De inbreuk die wordt gemaakt op dat recht door telefonisch contact niet toe te staan wanneer [eiser] gezinsleden zich in het buitenland bevinden is niet gerechtvaardigd. Artikel 6b, derde lid, laatste volzin, van de Rtwb moet daarom buiten toepassing blijven. Er heeft namelijk geen individuele beoordeling plaatsgevonden. Daartoe bestond wel aanleiding, aangezien [eiser] sinds 2022 telefonisch contact heeft gehad met zijn vrouw en kinderen tijdens hun vakanties in het buitenland en dit niet heeft geleid tot incidenten. [eiser] heeft er verder op gewezen dat zijn kinderen minderjarig zijn en recht hebben op een emotionele en duurzame relatie met hun beide ouders.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Niet in geschil is dat de voorwaarde van een vaste woon- of verblijfplaats voor telefonisch contact met de vrouw en kinderen van [eiser], wanneer zij in het buitenland op vakantie zijn, een inmenging vormt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Deze voorwaarde beperkt immers de mogelijkheid van [eiser] en zijn kinderen om een gezinsleven te onderhouden. De vraag is of deze inmenging is voorzien bij wet, of deze een legitiem doel dient en of deze noodzakelijk is in een democratische samenleving. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, wordt ook een proportionaliteitstoets verricht (de zogenoemde ‘fair balance’).
Bij wet voorzien
4.2.
[eiser] betoog dat hij in eerdere jaren tijdens vakanties in het buitenland heeft gebeld met zijn gezinsleden gaat eraan voorbij dat sinds 1 november 2025 bij wet, namelijk de Rtwb, is voorzien in de voorwaarde dat personen met wie een gedetineerde telefoneert in het buitenland daar een vaste woon- of verblijfplaats moeten hebben.
Legitiem doel
4.3.
Het doel van de wijziging van de Rtwb is blijkens de toelichting op die wijziging het toezicht te versterken op gedetineerden van wie een ernstige gevaarzetting voor de samenleving uitgaat. Bij deze gedetineerden bestaat, blijkens de toelichting, het risico dat zij iedere mogelijkheid tot contact en communicatie met de buitenwereld zullen gebruiken om hun criminele praktijken vanuit detentie voort te zetten en daarbij ernstige intimiderende en levensbedreigende activiteiten buiten de inrichting niet zullen schuwen. [1]
4.4.
[eiser] heeft niet gesteld dat de voorwaarde van een vaste woon- of verblijfplaats voor telefonisch contact geen legitiem doel dient.
Fair balance
4.5.
Het gaat hier om een voorwaarde die geldt voor alle EBI-gedetineerden en gedetineerden op een afdeling intensief toezicht (hierna: AIT), maar aan een plaatsing in een EBI of op een AIT gaat wel een individuele beoordeling vooraf waarbij getoetst wordt of de gedetineerde een hoog risico vormt en waarbij ook de individuele effecten van de aan zo’n plaatsing verbonden beperkende maatregelen worden meegewogen. De gedetineerde kan tegen zo’n plaatsing bovendien opkomen bij de RSJ en dit is volgens vaste rechtspraak een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1233.
4.6.
De laatste beslissing tot verlenging van het verblijf van [eiser] in de EBI heeft plaatsgevonden na inwerkingtreding van bovenstaande wijzigingen van de Pbw en de Rtwb. Daarbij zijn de aan die verlenging verbonden beperkingen in ogenschouw genomen. De staatssecretaris is in zijn beslissing specifiek ingegaan op telefonische communicatie door [eiser] (met zijn criminele netwerk) vanuit de Justitieel Complex Zaanstad, de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden en de Penitentiaire Inrichting De Schie. Verder heeft [eiser] (ook) bij de beroepscommissie van de RSJ naar voren gebracht dat de verlenging van zijn verblijf in de EBI in strijd met onder meer artikel 8 EVRM Pro is. De beroepscommissie heeft erkend dat een verblijf in de EBI zwaar is, maar zich op het standpunt gesteld dat dit verblijf niet in strijd is met de door [eiser] genoemde wet- en regelgeving.
4.7.
Dat een normaal gezinsleven met [eiser] niet mogelijk is zolang hij gedetineerd is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvermijdelijk. De mogelijkheid om telefoongesprekken te voeren is voor EBI-gedetineerden als [eiser], ook wanneer hun gezinsleden in Nederland verblijven, op grond van artikel 40b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pbw beperkt tot maximaal eenmaal per week één telefoongesprek van tien minuten.
4.8.
Door de afwijzing van het verzoek van 15 juni 2026 wordt het contact tussen [eiser] en zijn gezinsleden echter niet onmogelijk gemaakt. Zijn gezinsleden verblijven immers minder dan een maand in Marokko. Tijdens de zitting heeft de Staat onweersproken naar voren gebracht dat er op 31 juli 2026 of 1 augustus 2026 de gelegenheid bestaat (bestond) voor [eiser] om met zijn vrouw en kinderen te bellen. Ook kunnen zij [eiser] bezoeken, waarbij de voorzieningenrechter erkent dat de mogelijkheden daartoe aan beperkingen onderhevig zijn.
Conclusie
4.9.
Gelet op het voorgaande, is voldoende aannemelijk dat de voorwaarde van een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland voor telefonisch contact noodzakelijk is met het oog op het bereiken van het daarmee te dienen doel en dat is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor de gestelde schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
4.10.
Een toets aan het door [eiser] ingeroepen artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzage de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) leidt niet tot een andere conclusie dan de toets aan artikel 8 van Pro het EVRM. Artikel 3, eerste lid, van het IVRK bepaalt dat het belang van het kind een eerste overweging vormt bij alle maatregelen betreffende kinderen. Dat betekent echter niet dat de belangen van het kind altijd doorslaggevend zijn. Zoals volgt uit hetgeen hierboven is overwogen, kent de voorzieningenrechter aan het belang van de kinderen van [eiser] geen doorslaggevend gewicht toe.
4.11.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
Proceskosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing
Totaal € 2.101
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101 (te weten griffierecht € 735, salaris advocaat € 1.177, nakosten € 189 (plus na te melden verhoging)), welk bedrag wordt verhoogd met € 98 en de kosten van betekening als [eiser] na verloop van 14 dagen niet aan deze veroordeling heeft voldaan en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
ms

Voetnoten

1.Staatscourant 2025, 34102