ECLI:NL:RBDHA:2026:2138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.38454 en NL25.38455
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2003/109/EGArt. 3.30 Vreemdelingenbesluit 2000paragraaf B6/4.5 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige ondanks langdurig ingezetenenstatus

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon met langdurig ingezetenenstatus in Spanje, diende op 24 augustus 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'arbeid als zelfstandige' om schoonmaakwerkzaamheden in Nederland uit te voeren.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af op 8 november 2023 en handhaafde dit besluit op bezwaar van 1 augustus 2025. De rechtbank behandelde het beroep op 13 januari 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft uit zijn werkzaamheden. De ingediende facturen en jaarstukken boden onvoldoende onderbouwing, en er ontbraken bewijsstukken over investeringen, gereedschappen en contracten met opdrachtgevers. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht van de hoorplicht kon afzien omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of argumenten bevatte.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand, en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.38454 en NL25.38455
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 24 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in het kader van arbeid als zelfstandige. Eiser wenst verblijf in Nederland om als zelfstandig ondernemer schoonmaakwerkzaamheden op het gebied van vloeren uit te voeren. Eiser heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene als bedoeld in de Richtlijn langdurig ingezetenen [2] .
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan de geldende voorwaarden [3] voor de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Ook heeft eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en daadwerkelijk arbeid als zelfstandige verricht, zodat eisers middelen bezwaarlijk als inkomsten uit zelfstandige arbeid kunnen worden aangemerkt.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Er is sprake van een motiveringsgebrek, omdat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt waarom de aanvraag is geweigerd aan eiser, die een langdurig-ingezetene-status heeft. Niet in geschil is dat eiser ruim twee jaar voldoet aan het inkomensvereiste en geen beroep doet op openbare middelen. Verder heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Tot slot berust het bestreden besluit op onjuiste gronden en is het onzorgvuldig voorbereid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Arbeid als zelfstandige
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en daadwerkelijk arbeid als zelfstandige verricht. Zo heeft verweerder terecht betrokken dat de facturen onvoldoende de jaarstukken onderbouwen, dat de jaarstukken onvoldoende worden ondersteund, dat onbekend is wat de bezittingen zijn en in welke materialen en gereedschappen is geïnvesteerd en dat overeenkomsten met opdrachtgevers ontbreken en dat niet uit alle facturen blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en dat niet duidelijk of met eigen gereedschappen, schoonmaakmiddelen en/of andere hulpmiddelen is gewerkt. Ook heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk en daadwerkelijk arbeid als zelfstandige verricht. Eisers stelling dat hij ruim twee jaar voldoet aan het inkomensvereiste en geen beroep doet op de openbare middelen, kan niet leiden tot een ander oordeel nu verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van de verblijfsvergunning.
6.1.
Verweerder is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam en voldoende middelen van bestaan zal verwerven en daardoor niet aan de gestelde voorwaarden van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ voldoet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook mogen afwijzen.
Hoorplicht
7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [4] Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventueel nader gehoor nog had willen toelichten. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.De griffier heeft vijf minuten na het geplande aanvangstijdstip het mobiele telefoonnummer van de gemachtigde van eiser gebeld maar de voicemail gekregen.
2.Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
3.Zie artikel 3.30, eerste lid, onder b, en vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in samenhang met paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.