ECLI:NL:RBDHA:2026:21409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
NL26.14193
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel en toekenning proceskostenvergoeding

Verzoekster, een Somalische vrouw, heeft namens zichzelf en haar minderjarige dochters een opvolgende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag bij besluit van 6 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de hoofdzaak behandeld op 14 juli 2026. Na de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.14192) acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoekster recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten, welke de minister moet betalen. De vergoeding is vastgesteld op €1.868,-, gebaseerd op twee proceshandelingen door de gemachtigde van verzoekster, elk gewaardeerd op €934,-.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en is openbaar gemaakt op 31 juli 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14193

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1] , verzoekster

gesteld geboren op [datum 1] ,
mede namens haar minderjarige dochters,
[naam 2],
geboren op [datum 2] ,
[naam 3],
geboren op [datum 3] ,
[naam 4],
geboren op [datum 4] ,
allen van gestelde Somalische nationaliteit,
V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] ,
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D.L. de Boer).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld [1] en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL26.14192, op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.14192, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep aanleiding te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.868,00 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.NL26.14192.