ECLI:NL:RBDHA:2026:21409
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel en toekenning proceskostenvergoeding
Verzoekster, een Somalische vrouw, heeft namens zichzelf en haar minderjarige dochters een opvolgende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag bij besluit van 6 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de hoofdzaak behandeld op 14 juli 2026. Na de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.14192) acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af.
Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verzoekster recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten, welke de minister moet betalen. De vergoeding is vastgesteld op €1.868,-, gebaseerd op twee proceshandelingen door de gemachtigde van verzoekster, elk gewaardeerd op €934,-.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en is openbaar gemaakt op 31 juli 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.