ECLI:NL:RBDHA:2026:2142

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3707
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitECLI:EU:C:2021:506ECLI:NL:RVS:2020:829ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring wegens onrechtmatig verblijf en risico op ontduiking toezicht

Eiser is op 18 januari 2026 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij rechtmatig verbleef als Unieburger, omdat hij na zijn uitzetting in 2023 naar Roemenië was vertrokken en daar werkte en studeerde. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd, mede vanwege het ontbreken van bewijsstukken zoals salarisstroken of bankafschriften.

Verweerder stelde dat er zware gronden bestonden voor de maatregel, waaronder het feit dat eiser zich aan toezicht had onttrokken en niet vrijwillig aan zijn vertrekverplichting had voldaan. De rechtbank vond dat deze gronden, ondanks enkele betwistingen van eiser, voldoende waren onderbouwd en dat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Eiser voerde aan dat zijn privé- en familieleven en medische situatie onvoldoende waren meegewogen en dat een lichter middel mogelijk was. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij zijn zus wilde verblijven en dat zijn medische klachten niet tot detentieongeschiktheid leidden. Ook ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel leidde niet tot een ander oordeel.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3707

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Cosa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Grondslag voor de maatregel; onrechtmatig verblijf
1. Eiser voert aan dat hij verblijfsrecht heeft op grond van het recht van de Europese Unie (EU), omdat hij aan het hem opgelegde verwijderingsbesluit heeft voldaan. Hij heeft nadat hij in 2023 Nederland is uitgezet in Roemenië verbleven. De beschikking waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht is uitgewerkt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser werkte in Roemenië en daar naar een avondschool ging. Hij heeft dan ook gebruik gemaakt van zijn recht op vrij verkeer als werknemer.
1.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 1 juni 2023 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Deze beschikking is op 4 juni 2023 in persoon aan eiser uitgereikt en staat in rechte vast. Eiser is op 31 augustus 2023 uitgezet naar Roemenië. In geschil is of eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en daarmee aan het verwijderingsbesluit heeft voldaan. Eiser heeft de avond voor de zitting stukken overgelegd, te weten een Roemeense werkgeversverklaring, gedateerd 3 november 2023, een Roemeense arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 21 januari 2024 tot en met 11 juli 2024 met een aanvullende overeenkomst voor onbepaalde tijd per 12 juli 2024 en een verklaring van 18 december 2025 van een Roemeense avondschool dat hem uitstel is verleend voor verschillende vakken. . De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit en dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021, F.S (ECLI:EU:C:2021:506, onder 81-82). Zo ontbreken bijvoorbeeld salarisspecificaties of bankafschriften of andere bewijsstukken waaruit blijkt dat eiser daadwerkelijk in Roemenië heeft gewoond, gewerkt en naar school is gegaan. Gelet op het bovenstaande is het besluit van 1 juni 2023 dus nog steeds van kracht. Dat betekent dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig in Nederland verbleef. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Gronden van de maatregel
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1.
Eiser betwist alle gronden. Ter toelichting voert hij aan dat hij de zware gronden 3c en 3i en lichte gronden 4d en 4e betwist vanwege zijn hoedanigheid als Unieburger. Verweerder heeft op de zitting zware grond 3i en lichte grond 4e laten vallen.
2.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Uit het dossier blijkt dat de beschikking waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van het Unierecht op 4 juni 2023 aan hem is uitgereikt. Verweerder heeft de zware grond 3c dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. De rechtbank merkt op dat er in de maatregel onder zware grond 3c staat vermeld dat de beschikking op 30 oktober 2024 aan eiser is uitgereikt. Dit moet gelet op het proces-verbaal bevindingen van de uitreiking op 4 juni 2023 worden aangemerkt als kennelijke verschrijving.
2.4.
De niet concreet betwiste zware grond 3b die een ambtshalve toetsing van de rechtbank kan doorstaan, en de zware grond 3c, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser stelt dat zijn privé- en familieleven en zijn medische situatie (maagklachten) niet zijn meegewogen. Eiser voert verder aan dat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de vraag of hij kon verblijven bij zijn zus in Nieuwegein.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Daarbij staat voorop dat uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de toelichting hierop het risico volgt dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft in zijn gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling enkel verklaard dat zijn zus en zwager in Nieuwegein wonen en niet gezegd dat hij bij hen wil verblijven. Hij heeft juist verklaard naar België te willen afreizen. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat hij niet bij zijn zus woont en dat hij in België woont en werkt. Bovendien blijkt niet van een onderlinge afhankelijkheid tussen eiser en zijn zus. Er bestaat dus in zoverre geen aanknopingspunt voor het alsnog toepassen van een lichter middel. Dat eiser medische klachten heeft, te weten maagklachten, is door verweerder voldoende meegewogen bij het opleggen van de maatregel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare zorg in zijn geval niet toereikend is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 24 november 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.