ECLI:NL:RBDHA:2026:2165
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning langdurig ingezetene na verblijf buiten EU langer dan 12 maanden
Eiser, afkomstig uit Kaapverdië, woonde van zijn negende tot zestiende in Nederland met een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Op zijn zestiende werd hij door zijn vader tegen zijn wil meegenomen naar Kaapverdië, waardoor hij langer dan twaalf maanden buiten de EU verbleef. Verweerder trok daarop zijn verblijfsvergunning in. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat zijn situatie een uitzonderlijke reden vormde om niet in te trekken, mede omdat hij inmiddels verblijfsrecht had op grond van verblijf bij zijn moeder in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de intrekking handhaafde, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en de omstandigheden van zijn minderjarigheid en gezag van zijn vader geen specifieke of uitzonderlijke reden vormen in de zin van artikel 9, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG. De rechtbank benadrukte dat de discretionaire bevoegdheid van verweerder terughoudend wordt getoetst en dat verweerder de beslissing deugdelijk had gemotiveerd.
Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder terecht geen hoorplicht had toegepast bij het bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De gevolgen van de intrekking voor eiser, zoals het opnieuw moeten doorlopen van de termijn voor naturalisatie, werden wel erkend maar konden niet leiden tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens verblijf buiten de EU langer dan twaalf maanden en verklaart het beroep ongegrond.