ECLI:NL:RBDHA:2026:2177

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.56292 en NL25.56293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30a VwArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens internationale bescherming in Cyprus

Eiseres, een Afghaanse vrouw geboren in 2000, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij al internationale bescherming geniet in Cyprus met een geldige verblijfsvergunning tot november 2026.

Eiseres voerde aan dat zij als kwetsbare, alleenstaande jonge vrouw bij terugkeer naar Cyprus te maken krijgt met problemen op het gebied van huisvesting, arbeidsmarkt en onderwijs, en dat haar familieleden elders in de EU zijn hervestigd, waardoor haar situatie verslechtert. Tevens stelde zij dat zij geen verblijfspas meer heeft en daardoor rechten mist.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij buiten haar wil in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zal verkeren bij terugkeer. De rechtbank vond dat de Cypriotische autoriteiten hun verplichtingen nakomen, dat eiseres tijdens haar eerdere verblijf in Cyprus in staat was zichzelf te onderhouden, en dat de aangevoerde problemen niet leiden tot een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiseres dient terug te keren naar Cyprus en krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.56292 (beroep)
NL25.56293 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster, hierna: eiseres

V-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer, vanwege haar persoonlijke omstandigheden, buiten haar wil en persoonlijke keuzes om, zal terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 januari 2026 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en [naam] als tolk deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 17 maart 2023 een vluchtelingenstatus toegekend gekregen in Cyprus. Uit informatie van de Cypriotische autoriteiten is gebleken dat haar vergunning geldig is tot 3 november 2026.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw omdat zij in Cyprus al internationale bescherming geniet. Zij heeft daarom ook een sterkere band met Cyprus dan met Nederland. Verder is niet gebleken dat Cyprus zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van statushouders niet nakomt of dat eiseres bij terugkeer in een situatie terechtkomt die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM [2] of artikel 4 van Pro het Handvest. [3]
Kan verweerder ervan uitgaan dat eiseres bij terugkeer niet in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er ten aanzien van Cyprus van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan in de situatie van eiseres. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat niet alle uitzettingen naar Cyprus in strijd zijn met artikel 3 van Pro het EVRM/artikel 4 van Pro het Handvest, maar wel dat verweerder ten aanzien van eiseres een individuele beoordeling had moeten maken, met inachtneming van de situatie van eiseres als kwetsbare, alleenstaande en jonge vrouw die bij terugkeer te maken zal krijgen met problemen ten aanzien van huisvesting, de arbeidsmarkt en onderwijs. Daarbij komt dat haar broer en zus, met wie zij voorheen de lasten kon delen, zijn of worden hervestigd in andere landen in de Europese Unie. Zij heeft dus een aanvullende individuele omstandigheid naar voren gebracht waarom de risico's voor haar groter en gevaarlijker zijn dat zij terecht zal komen in een inhumane, onveilige en vrouwonvriendelijke situatie. Dit is het gevolg van bestendig beleid en klagen heeft daarom geen effect. Eiseres stelt ten slotte dat zij geen verblijfspas meer heeft, waardoor zij gedurende de aanvraag daarvan geen aanspraak kan maken op bepaalde rechten.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder op de genoemde punten is ingegaan in het besluit. Verweerder heeft in zijn besluit terecht, en in lijn met het arrest Ibrahim [4] verlangd dat eiseres informatie dient over te leggen om haar stellingen aannemelijk te maken. De rechtbank volgt verweerder erin dat eiseres met de overgelegde informatie er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer vanwege haar bijzondere kwetsbaarheid, buiten haar wil en persoonlijke keuzes om, zal terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank motiveert hieronder hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
5.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat volgens de informatie over statushouders uit het AIDA-rapport [5] bepaalde rechten niet kunnen worden geeffectueerd zonder verblijfspas. De aangehaalde passage in het AIDA-rapport gaat uit van problemen bij het verkrijgen van een
residence permit, oftewel, een verblijfsvergunning. Uit de informatie blijkt dat deze wordt verstrekt met een geldigheidsduur van drie jaar. De rechtbank ziet niet dat deze passages zien op het hebben en verkrijgen van een fysieke verblijfspas. Dat het AIDA-rapport onderscheid maakt tussen een verblijfsvergunning en een verblijfspas, leest de rechtbank niet terug in het rapport. In dat kader heeft verweerder eiseres dan ook mogen tegenwerpen dat haar verblijfsvergunning nog enkele maanden geldig is en de passages uit het AIDA-rapport niet op eiseres van toepassing zijn.
5.3.
Verweerder heeft eiseres verder kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat zij bij terugkeer geen effectieve toegang tot de arbeidsmarkt en huisvesting zal hebben. Dat het lastig is om dat te verkrijgen, betekent niet dat eiseres daartoe geen rechten heeft of dat het praktisch onmogelijk is om dat te verkrijgen. Verder is niet gebleken dat uit het beleid van de Cypriotische autoriteiten blijkt dat statushouders structureel niet worden geholpen om hun rechten te effecturen of dat de Cypriotische autoriteiten onverschillig staan tegenover de door statushouders ondervonden problemen. Niet is gebleken dat eiseres geen hulp van de autoriteiten kan inroepen of effectief beklag kan doen over de situatie. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat eiseres zichzelf tijdens het eerdere verblijf in Cyprus staande heeft kunnen houden, en daarbij huisvesting en arbeid heeft gehad. Dat eiseres niet opnieuw haar eigen huisvesting zal kunnen regelen omdat zij dit niet meer kan delen met haar broer en zus, heeft zij niet geconcretiseerd of onderbouwd. Hoewel duidelijk is dat de broer van eiseres naar Roemenië is hervestigd, is ter zitting bovendien gebleken dat de zus van eiseres nog in Cyprus de asielprocedure doorloopt. Het is ook niet zeker dat de zus van eiseres naar Duitsland zal worden hervestigd. Eiseres heeft zodoende ook niet onderbouwd dat zij bij terugkeer naar Cyprus niet opnieuw aan huisvesting zal kunnen komen.
5.4.
De rechtbank volgt eiseres ook niet dat zij in Cyprus geen toegang zal hebben tot hoger onderwijs en er om die reden niet van haar verlangd mag worden dat zij terugkeert naar Cyprus. Verweerder heeft in dit kader kunnen tegenwerpen dat eiseres, na het horen van de kosten, niet verder heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden om verder te studeren omdat zij van plan was naar Nederland te gaan. Verder is niet gebleken dat de omstandigheid dat eiseres eventueel geen hoger onderwijs kan volgen, leidt tot een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim.
5.5.
De rechtbank volgt eiseres ten slotte niet in haar stelling dat zij niet kan terugkeren naar Cyprus omdat zij in een inhumane, onveilige en vrouwonvriendelijke situatie terecht zal komen. Verweerder heeft eiseres in dit kader mogen tegenwerpen dat zij niet bij de Cypriotische politie heeft gemeld dat zij op straat is lastiggevallen, en dat dit wel van eiseres verwacht mocht worden. Eiseres heeft dus niet bij de Cypriotische autoriteiten om bescherming verzocht en niet is gebleken dat de Cypriotische autoriteiten eiseres niet willen of kunnen beschermen bij dergelijke problemen.
5.6.
De beroepsgronden slagen daarom niet.

Conclusie en gevolgen van het beroep

6. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiseres niet inhoudelijk hoeft te behandelen en eiseres terug dient te keren naar Cyprus. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Omdat er op het beroep is beslist en dit ongegrond is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af. Voor een veroordeling in de proceskosten van verzoekster bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:219), overweging 88.
5.Asylum Information Database, Country report: Cyprus (april 2025).