ECLI:NL:RBDHA:2026:2179

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4435
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadeverzoek in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde tevens een verzoek om schadevergoeding in, maar deed ter zitting afstand van het recht om gehoord te worden.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit van de rechtmatigheid van de bewaring, zoals voorgeschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarbij werd ook gekeken naar het beginsel van non-refoulement en het belang van het familie- en gezinsleven, conform de richtlijn 2008/115 en het arrest Adrar van het Hof van Justitie.

De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de bewaring onrechtmatig was of dat het familie- en gezinsleven of het non-refoulement-beginsel zich verzetten tegen de verwijdering van eiseres. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door rechter C.E. Bos en griffier B.C.M. Burger en is openbaar bekendgemaakt op 5 februari 2026. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4435

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Eiseres heeft afstand gedaan van het recht ter zitting te worden gehoord. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft geen beroepsgronden ingediend tegen de maatregel.
2. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eiseres’ verwijdering.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.