ECLI:NL:RBDHA:2026:2181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.55764 en NL25.55765
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat Nederland terecht het verzoek tot overname aan Frankrijk heeft gedaan en dat Frankrijk dit verzoek heeft aanvaard. De stelling van eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege zijn status als slachtoffer van mensenhandel wordt verworpen, omdat de overgelegde landeninformatie geen aanwijzingen geeft voor structurele tekortkomingen in het Franse asielsysteem voor slachtoffers van mensenhandel.

Ook de door eiser aangevoerde ernstige psychische klachten en het risico op suïcide bij overdracht zijn onvoldoende onderbouwd om Nederland verantwoordelijk te laten zijn voor de behandeling van de aanvraag. Daarnaast staat de aangifte van mensenhandel in Nederland niet in de weg aan de overdracht, omdat dit geen zwaarwegende onderzoeksbelangen oplevert.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; Frankrijk blijft verantwoordelijk voor de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.55764 (beroep)
NL25.55765 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

V-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als tolk deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [1] Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 27 oktober 2025 aanvaard.
Kan er ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?
4. Eiser heeft betwist dat er ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, voor zover dat ziet op de bescherming van slachtoffers van mensenhandel door de Franse autoriteiten. Op zitting is bevestigd dat het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ziet op de algemene procedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar op de situatie van slachtoffers van mensenhandel. Eiser stelt dat hij een dergelijk slachtoffer is.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde landeninformatie niet blijkt dat er in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in het asielsysteem voor slachtoffers van mensenhandel. Uit de overgelegde informatie blijkt enkel dat slachtoffers van mensenhandel binnen het Franse asielsysteem niet altijd worden herkend. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt echter niet dat de Franse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van slachtoffers van mensenhandel en dat de Franse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen als eiser daar na terugkeer om verzoekt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had verweerder de aanvraag zelf moeten behandelen wegens eisers medische problematiek?
5. Eiser heeft gesteld dat hij ernstige psychische klachten heeft en dat een overdracht een reëel risico op ernstige verslechtering met zich mee zou brengen. Eisers klachten passen bij (vermoedelijk) een posttraumatische stressstoornis en zijn een gevolg van de mensenhandel waaraan hij is blootgesteld. Bij overdracht zou sprake zijn van een suïciderisico.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Hiervoor is van belang dat een verslechtering van eisers psychische klachten als gevolg van de overdracht niet is onderbouwd. De rechtbank merkt verder op dat het gestelde suïciderisico ook niet volgt uit de overgelegde medische stukken. Verweerder heeft daarom geen reden hoeven zien de asielaanvraag zelf te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Staat eisers aangifte van mensenhandel in Nederland in de weg aan het bestreden besluit?
6. Eiser heeft na het bestreden besluit, op 31 december 2025, aangifte van mensenhandel gedaan. Eiser stelt dat hij hangende het politieonderzoek niet kan worden overgedragen, en dat verweerder hierover een standpunt had moeten innemen. Eiser heeft verder gesteld dat er inmiddels contact is geweest met verweerder over het verlenen voor een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: B8-vergunning).
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers aangifte van mensenhandel in Nederland niet in de weg staat van het bestreden besluit. Een (procedure rondom een) B8-vergunning doet immers in beginsel niet af aan de verantwoordelijkheid voor het behandelen van een asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft bovendien geen informatie overgelegd over de door hem gestelde procedure rondom een B8-vergunning en geen zwaarwegende onderzoeksbelangen bij zijn fysieke aanwezigheid in Nederland gesteld of onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen van het beroep

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Frankrijk verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiser. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Het verzoek om een voorlopige voorzieningen

8. Omdat er op het beroep is beslist, en dit ongegrond is verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
9. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan, voor zover dit ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.