De rechtbank Den Haag behandelde verzoeken van de vader om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De moeder heeft de hoofdverblijfplaats en is van rechtswege alleen met het gezag belast. De ouders zijn het niet eens over omgang en gezag, mede door beschuldigingen van agressief gedrag van de vader en een verstoorde communicatie.
De rechtbank constateert onvoldoende informatie om te beoordelen of gezamenlijk gezag en omgang in het belang van het kind zijn. Daarom wordt de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen. Totdat dit rapport beschikbaar is, wordt het verzoek om een omgangsregeling voorlopig afgewezen.
De vader wil contact met het kind en gezag, en staat open voor hulpverlening. De moeder is niet tegen omgang, maar verwijst naar een advies van Veilig Thuis om hiervan af te zien. De rechtbank houdt de zaak aan tot uiterlijk 1 juli 2026 voor het rapport van de Raad. De voorlopige voorzieningen worden afgewezen vanwege onvoldoende informatie over het belang van het kind.