ECLI:NL:RBDHA:2026:2185

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/681688 / FA RK 25-1828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gezag en omgangsregeling minderjarige na beëindiging relatie ouders

De rechtbank Den Haag behandelde verzoeken van de vader om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De moeder heeft de hoofdverblijfplaats en is van rechtswege alleen met het gezag belast. De ouders zijn het niet eens over omgang en gezag, mede door beschuldigingen van agressief gedrag van de vader en een verstoorde communicatie.

De rechtbank constateert onvoldoende informatie om te beoordelen of gezamenlijk gezag en omgang in het belang van het kind zijn. Daarom wordt de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen. Totdat dit rapport beschikbaar is, wordt het verzoek om een omgangsregeling voorlopig afgewezen.

De vader wil contact met het kind en gezag, en staat open voor hulpverlening. De moeder is niet tegen omgang, maar verwijst naar een advies van Veilig Thuis om hiervan af te zien. De rechtbank houdt de zaak aan tot uiterlijk 1 juli 2026 voor het rapport van de Raad. De voorlopige voorzieningen worden afgewezen vanwege onvoldoende informatie over het belang van het kind.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige omgangsregeling wordt afgewezen en raadsonderzoek gelast voor gezag en omgang.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-1828 (bodemprocedure)
FA RK 25-7265 (procedure voorlopige voorzieningen)
Zaaknummers: C/09/681688 (bodemprocedure)
C/09/692140 (procedure voorlopige voorzieningen)
Datum beschikking: 8 januari 2026

Gezag en omgangsregeling

Beschikkingop de op 12 maart 2025 en 25 september 2025 ingekomen verzoeken van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Hageman te Velsen-Zuid, gemeente Velsen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. el Hadje te Rotterdam.

Procedure

Bij beschikking van 17 april 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard van het aldaar op 24 februari 2025 ingekomen verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin die zich op dat moment bevond, verwezen naar deze rechtbank.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, in de bodemprocedure;
- het verzoekschrift, met bijlagen, in de procedure voorlopige voorzieningen;
- de brief van 20 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 26 november 2025, met bijlage, van de zijde van de vader.
Op 27 november 2025 zijn de verzoeken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld van de tolk O.M. Karim en bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, vergezeld van de tolk A. Cherradi en bijgestaan door haar advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De verzoeken in de bodemprocedure strekken er toe dat:
de vader en de moeder gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag over na te melden minderjarige;
een zorg- dan wel omgangsregeling wordt vastgesteld, waarbij de vader zorg draagt voor de minderjarige op woensdagmiddag, alsmede om het weekend van zaterdagochtend tot zondagmiddag, inclusief overnachting, met in achtneming van een opbouwregeling zoals opgenomen in randnummer 46 van het verzoekschrift, althans een zorg- dan wel omgangsregeling wordt vastgesteld als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Het verzoek in de procedure voorlopige procedure strekt er toe dat:
een omgangsregeling wordt vastgesteld, waarbij de vader zorg draagt voor de minderjarige op woensdagmiddag, alsmede om het weekend van zaterdagochtend tot zondagmiddag, inclusief overnachting, met inachtneming van een opbouwregeling zoals opgenomen in randnummer 40 van het verzoekschrift, althans een omgangsregeling wordt vastgesteld als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Beoordeling

In de bodemprocedure en procedure voorlopige voorzieningen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over [minderjarige] en het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling/de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
In de bodemprocedure
Juridisch kader gezag
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder daarmee niet instemt, het verzoek slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
In de bodemprocedure en de procedure voorlopige voorzieningen
Juridisch kader omgang
Op grond van artikel 1:377a BW heeft het kind – voor zover thans van belang – recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
indien het kind dat twaalf jaar of ouder is ernstige bezwaren heeft tegen omgang, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
In de bodemprocedure
Inhoudelijke beoordeling
De ouders hebben een affectieve relatie gehad die kort na de geboorte van [minderjarige] is beëindigd. De vader heeft [minderjarige] daarna nog enkele keren gezien, waarna het contact met de moeder is verbroken. In november 2024 is er een gesprek geweest tussen de ouders in het bijzijn van hun advocaten. Tussen de ouders is een omgangsregeling overeengekomen, waarbij de vader [minderjarige] op een openbare plek zou zien in het bijzijn van de moeder. De communicatie tussen de ouders is geëscaleerd, waardoor de omgang niet van de grond is gekomen. De vader heeft [minderjarige] sindsdien niet meer gezien.
De moeder beschuldigt de vader van agressief gedrag. Volgens de moeder heeft de vader haar in 2021 mishandeld in het bijzijn van [minderjarige] , waardoor [minderjarige] een trauma heeft opgelopen. Volgens de moeder heeft [minderjarige] hierdoor ook een taalachterstand opgelopen en is hij onder behandeling van een psycholoog. De moeder verblijft momenteel op een geheim adres. De moeder heeft aangegeven dat zij in het verleden meermaals heeft moeten verhuizen, omdat de vader haar adres heeft achterhaald en haar heeft opgezocht, waarna zij de politie heeft moeten bellen. De moeder is niet tegen omgang, maar volgens haar heeft Veilig Thuis geadviseerd hiervan af te zien.
De vader ontkent dat hij agressief is en dat hij de moeder heeft mishandeld. De vader wil contact met [minderjarige] en begrijpt dat dit contact zal moeten worden opgebouwd, nu hij [minderjarige] al geruime tijd niet heeft gezien. Volgens de vader kan de opbouwregeling zonder begeleiding plaatsvinden. Er is volgens de vader geen sprake van een onveilige situatie.
De vader wil daarnaast het gezag over [minderjarige] hebben. De vader staat open voor eventuele hulpverlening om de communicatie te verbeteren. De vader heeft er vertrouwen in dat de communicatie tussen hen zal verbeteren indien duidelijkheid bestaat over het gezag en de omgangs-/zorgregeling. De vader heeft er op gewezen dat de moeder zonder enig overleg met [minderjarige] is verhuisd en dat zij de vader in het ongewisse laat. De vader is bang dat, zolang hij geen gezag heeft, de moeder opnieuw zonder overleg zal verhuizen en misschien zelfs naar het buitenland.
Uit het voorgaande blijkt dat de ouders een heel uiteenlopend beeld schetsen van wat tussen hen is voorgevallen. De ouders zijn het niet eens over de vraag of contact met de vader in het belang is van [minderjarige] en het lukt hen niet hierover in onderling overleg afspraken te maken. Tussen de ouders is op dit moment geen enkele vorm van communicatie.
De rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of het in het belang van [minderjarige] is dat de vader mede met het gezag over hem wordt belast en of omgang tussen de vader en [minderjarige] , in welke vorm dan ook, in het belang van [minderjarige] is. Om over meer informatie te kunnen beschikken vindt de rechtbank een raadsonderzoek noodzakelijk. De Raad voor de Kinderbescherming kan onder meer informatie kunnen inwinnen bij Veilig Thuis, dat betrokken is geraakt. De rechtbank zal daarom de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen als na te melden.
In de procedure voorlopige voorzieningen
Inhoudelijke beoordeling
Nu de rechtbank onvoldoende informatie heeft om te kunnen beoordelen of omgang tussen [minderjarige] en de vader op dit moment in het belang van [minderjarige] is, zal de rechtbank het verzoek van de vader om voor de duur van de bodemprocedure een omgangsregeling vast te stellen afwijzen.

BeslissingDe rechtbank:

in de bodemprocedure
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
dat onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
Zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader?
Is vaststelling van een omgangsregeling met de vader in het belang van [minderjarige] ?
Als de Raad van mening is dat omgang tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is: op welke wijze kan dat contact gerealiseerd worden? De rechtbank verzoekt de Raad indien nodig/mogelijk de omgang op te starten met behulp van proefcontacten.
Ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak?
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
1 juli 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en de omgangsregelingaan;
in de procedure voorlopige voorzieningen
wijst af het verzoek van de vader.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2026.