Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2189

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/680976 / FA RK 25-1489
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en afwijzing verzoek hoofdverblijfplaats bij co-ouderschap

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot vaststelling van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats van een minderjarige in een co-ouderschapsituatie. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de voortzetting van de huidige zorgregeling waarbij het kind van zaterdagmiddag tot woensdagochtend bij de moeder verblijft en van woensdagmiddag tot zaterdagmiddag bij de vader. De moeder verzocht een wijziging van de zorgregeling, die de rechtbank afwees omdat de huidige regeling in het belang van het kind is en goed functioneert.

De rechtbank oordeelde dat de hoofdverblijfplaats niet bij één ouder kan worden vastgesteld vanwege de gelijkwaardige rol van beide ouders in het leven van het kind en de emotionele lading van het begrip hoofdverblijfplaats. Verzoeken van beide ouders om de hoofdverblijfplaats bij hen vast te stellen werden daarom afgewezen.

Ook het verzoek van de moeder om het kind in de Basisregistratie Personen (BRP) op haar adres in te schrijven werd afgewezen, omdat het financieel voordeliger is dat het kind bij de vader staat ingeschreven. De ouders trokken hun verzoeken om vervangende toestemming voor inschrijving op de basisschool in, zodat de rechtbank hierover geen beslissing hoefde te nemen.

De rechtbank benadrukte het belang van het ouderschapsbemiddelingstraject dat de ouders volgen om de communicatie en samenwerking te verbeteren, wat essentieel is voor het welzijn van het kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en legt een zorgregeling vast die het belang van het kind dient.

Uitkomst: De rechtbank stelt de huidige zorgregeling vast en wijst verzoeken tot wijziging van hoofdverblijfplaats en inschrijving BRP af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1489
Zaaknummer: C/09/680976
Datum beschikking: 5 januari 2026
Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en gezagsuitoefening

Beschikking op het op 26 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.J.H.M. Hopmans in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Shahbazi in Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 18 april 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten en is iedere verdere beslissing over de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de vervangende toestemming voor de inschrijving op de basisschool en de vervangende toestemming voor de inschrijving in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) pro forma aangehouden tot 1 oktober 2025.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het bericht van 2 mei 2025 van de Raad;
  • het rapport en advies van de Raad van 18 september 2025, kenmerk KZ-1-64QZTW7;
  • het bericht van 6 november 2025 van de moeder;
  • het bericht van 25 november 2025 van de vader, met bijlage;
  • het bericht van 27 november 2025 van de moeder, met bijlage.
Op 1 december 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad.

Wijziging verzoek

De moeder heeft haar verzoek over de zorgregeling gewijzigd en zij verzoekt nu om te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder verblijft van zaterdagmiddag 17.00 uur tot woensdagavond 18.00 uur.
De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat bij de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Zorgregeling
De Raad adviseert naar aanleiding van zijn onderzoek om primair de huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige] van zaterdagmiddag 17.00 uur tot woensdagochtend 9.00 uur bij de moeder is en van woensdag uit het kinderdagverblijf tot zaterdagmiddag 17.00 uur bij de vader is, voort te zetten en subsidiair een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] het weekend bij vader verblijft van vrijdag tot en met maandagochtend, op woensdag na school tot na het avondeten, op alle studiedagen en andere extra vrije dagen, tijdens alle korte vakanties van een week, de helft van de tweewekelijkse vakanties en vier van de zes weken in de
zomervakantie, uitgaande van het volgende schema: 2-2-2.
De Raad acht het in het belang van [minderjarige] dat de huidige co-ouderschapsregeling, die over het algemeen goed verloopt, wordt voortgezet. Op deze manier kan [minderjarige] genieten van de
aandacht van haar beide ouders, zonder dat zij één van haar ouders langer dan een paar dagen hoeft te missen.
De vader wil dat de huidige co-ouderschapsregeling wordt voortgezet. Vanaf januari 2026 kan de vader [minderjarige] op woensdag altijd zelf uit school ophalen. Op donderdag en vrijdag zal [minderjarige] uit school naar de BSO gaan. Dit is enerzijds omdat de vader niet om 14.00 uur, als de school van [minderjarige] uit is, klaar is met werken. Dit is anderzijds zodat [minderjarige] sociale contacten kan hebben met haar klasgenoten, die uit school ook naar de BSO gaan. Gelet op de reisafstanden tussen de school en de woonplaatsen van de ouders zijn speelafspraken voor [minderjarige] namelijk lastig.
Met wijziging van de huidige co-ouderschapsregeling verzoekt de moeder nu dat [minderjarige] voortaan tot woensdag 18.00 uur bij haar is. De moeder verzoekt dit omdat gebleken is dat niet de vader, maar de opa vaderszijde [minderjarige] op woensdagmiddag uit school ophaalt. De moeder heeft op de zitting verder aangegeven dat zij wil dat [minderjarige] voortaan op vrijdagmiddag uit school tot de vader klaar is met werken bij haar in [plaats] , waar de moeder werkt en haar zus woont, is zodat [minderjarige] maximaal één dag naar de BSO gaat.
De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Net als de Raad, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de huidige co-ouderschapsregeling – die over het algemeen goed verloopt – wordt voortgezet. Dit betekent concreet dat [minderjarige] van zaterdagmiddag 17.00 uur tot woensdagochtend naar school bij de moeder zal zijn en dat [minderjarige] van woensdagmiddag uit school tot zaterdagmiddag 17.00 uur bij de vader zal zijn. De vader brengt [minderjarige] op zaterdagmiddag naar de moeder. De rechtbank gaat hiermee dus voorbij aan het verzoek van de moeder dat [minderjarige] voortaan op woensdag tot 18.00 uur bij haar is. Op de zitting is de rechtbank gebleken dat dit verzoek enkel voortkomt uit het feit dat de opa vaderszijde [minderjarige] op woensdag uit school ophaalde, maar gebleken is dat de vader dit vanaf januari 2026 zelf zal gaan doen. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de wens van de moeder dat [minderjarige] voortaan op vrijdagmiddag uit school tot de vader klaar is met werken bij haar is. Dit zou een extra wisseling met zich brengen en dit acht de rechtbank, ook gelet op de verhoudingen tussen de ouders op dit moment, niet in het belang van [minderjarige] . Hierdoor gaat [minderjarige] dus twee dagen per week naar de BSO. De rechtbank acht dit ook van belang voor [minderjarige] , zodat zij uit school sociale contacten met haar klasgenoten kan hebben. De rechtbank zal verder bepalen dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte moeten verdelen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte over de zorgregeling afwijzen.
Gebleken is dat de ouders recent bij [instelling] zijn gestart met het volgen van het traject Ouderschapsbemiddeling. Op de zitting hebben de ouders afgesproken dat zij de deelname aan dit traject zullen voortzetten. De rechtbank verwacht van de ouders dat zij zich daar in het belang van [minderjarige] zullen inzetten om de onderlinge communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren. Dit is temeer belangrijk, omdat de ouders uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling. Ook verwacht de rechtbank dat de ouders daar samen afspraken zullen maken over de concrete verdeling van de zorgtaken in de vakanties en de feestdagen en nadere afspraken zullen maken over [minderjarige] , bijvoorbeeld over wie [minderjarige] bij ziekte op woensdag tijdens school opvangt.
Hoofdverblijfplaats en vervangende toestemming inschrijving BRP
De Raad adviseert naar aanleiding van zijn onderzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen. De Raad vindt dit in het belang van [minderjarige] . Zij verblijft op dit moment grotendeels bij de moeder en heeft hier haar dagelijkse ritme en structuur. Dit geeft [minderjarige] duidelijkheid en voorspelbaarheid, wat belangrijk is voor haar ontwikkeling. Daarnaast heeft de Raad meegewogen dat de moeder het meest betrokken lijkt te zijn bij de dagelijkse zorg en opvoeding van [minderjarige] . Door vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over praktische zaken, zoals schoolkeuze, huisarts en administratieve beslissingen. De Raad verwacht dat hierdoor meer rust kan ontstaan in de communicatie tussen de ouders. Het vaststellen van de hoofdverblijfplaats bij de moeder sluit daarmee aan bij de huidige situatie van [minderjarige] , geeft rust en stabiliteit en voorkomt dat zij wordt belast met onzekerheid of conflicten tussen de ouders over basiszaken in haar leven.
Op de zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat de hoofdverblijfplaats bij een co-ouderschapsregeling enkel administratief en financieel is en dat de Raad bij het advies om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vast te stellen ook heeft meegewogen dat [minderjarige] bij de moeder thuis twee broers heeft.
De vader kan niet instemmen met het advies van de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vast te stellen. Volgens de vader wordt het advies van de Raad niet gedragen door de conclusies in het onderzoek en zijn de getrokken conclusies onjuist. De vader handhaaft zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem vast te stellen.
De moeder kan wel instemmen met het advies van de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar vast te stellen. Daarmee wordt volgens de moeder in juridisch opzicht recht gedaan aan de feitelijke situatie, waarbij [minderjarige] meer tijd bij de moeder doorbrengt en zij ingeschreven staat bij de huisarts en tandarts bij de moeder.
De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Omdat de ouders uitvoering geven aan een nagenoeg gelijkwaardige co-ouderschapsregeling, waarbij [minderjarige] ongeveer even veel tijd bij de moeder als bij de vader woont, ziet de rechtbank – zoals op de zitting al is voorgehouden – geen aanleiding om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij één van haar ouders. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit namelijk geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders bij dit co-ouderschap in het leven van [minderjarige] vervullen. Daarnaast kan de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] tot conflicten tussen ouders leiden. De term ‘hoofdverblijfplaats’ heeft voor de ouders namelijk een zeer sterkte emotionele lading. De rechtbank zal daarom de over en weer gedane verzoeken om de hoofdverblijfplaats bij respectievelijk de vader of de moeder vast te stellen in het belang van [minderjarige] afwijzen.
De moeder heeft nog verzocht om [minderjarige] in de BRP in te schrijven op haar adres. Op dit moment staat [minderjarige] in de BRP ingeschreven op het adres van de vader. Vaststaat dat de ouders er destijds samen voor hebben gekozen om [minderjarige] vanuit financieel oogpunt in de BRP op het adres van de vader in te schrijven. De vader kreeg namelijk een hoger bedrag aan kindgebonden budget, omdat [minderjarige] bij de vader het enige kind is waarvoor toeslagen worden ontvangen en bij de moeder ook toeslagen worden ontvangen voor de broers van [minderjarige] . Die situatie is nu niet anders. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat er door de ouders optimaal wordt geprofiteerd van de te ontvangen toeslagen voor [minderjarige] . Dit komt [minderjarige] namelijk ten goede. Dat [minderjarige] op dit moment staat ingeschreven bij de huisarts en de tandarts bij de moeder, doet daaraan niets af. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om [minderjarige] in de BRP op haar adres in te schrijven daarom afwijzen.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool
Voorafgaand aan de zitting is gebleken dat de ouders [minderjarige] samen hebben ingeschreven op een basisschool in [plaats] . Op de zitting hebben de ouders hun verzoeken om aan hen vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool ingetrokken. De rechtbank hoeft daar dus geen beslissingen meer op te nemen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
18 april 2025 –:
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] :
  • bij de moeder zal zijn: van zaterdagmiddag 17.00 uur tot woensdagochtend naar school, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdagmiddag naar de moeder toe brengt en de moeder [minderjarige] op woensdagochtend naar school toe brengt;
  • bij de vader zal zijn: van woensdagmiddag uit school tot zaterdagmiddag 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op woensdagmiddag uit school ophaalt en [minderjarige] op zaterdagmiddag naar de moeder toe brengt;
  • de ene helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder zal zijn en de andere helft van de vakanties en feestdagen bij de vader zal zijn, waarbij de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte moeten verdelen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 5 januari 2026.