ECLI:NL:RBDHA:2026:2190

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/674621 / FA RK 24-7650
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Brussel II ter-verordeningArt. 10:56 BWArt. 3 Verordening onderhoudsverplichtingen nr. 4/2009Art. 3 Protocol onderhoudsverplichtingenArt. 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en alimentatie voor jongmeerderjarige vastgesteld

Partijen zijn gehuwd sinds 1988 en hebben een jongmeerderjarige zoon geboren in 2006. De vrouw verzoekt echtscheiding en partneralimentatie, de man verzet zich en verzoekt onder meer toekenning huurrecht en afwijzing alimentatie.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst het verzoek tot echtscheiding toe. Het verzoek tot partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de behoefte door de vrouw.

Het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegewezen aan de man met ingang van 5 juli 2026, waarbij de vrouw een redelijke termijn krijgt om vervangende woonruimte te vinden. De alimentatie voor de jongmeerderjarige wordt vastgesteld op €25 per maand, rekening houdend met de behoefte, draagkracht van partijen en het kostgeld dat de jongmeerderjarige betaalt.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitgesproken op 6 januari 2026 en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie afgewezen, huurrecht toegekend aan man, alimentatie jongmeerderjarige vastgesteld op €25 per maand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-7650 (echtscheiding)
FA RK 25-8841 (alimentatie)
Zaaknummers: C/09/674621 (echtscheiding)
C/09/695034 (alimentatie)
Datum beschikking: 6 januari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en alimentatie voor de jongmeerderjarige

Beschikking op het op 25 oktober 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek in Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J-M.F. Honders in Rotterdam.

En beschikking op het op 20 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[jongmeerderjarige] ,

de jongmeerderjarige,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek in Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de man voornoemd, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd.

Procedure

In de echtscheidingsprocedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
  • het bericht van 4 november 2024 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 8 februari 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 19 november 2025 van de vrouw, met bijlage;
  • het bericht van 19 november 2025 van de man, met bijlage.
In de alimentatieprocedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en het verweerschrift, met bijlagen.
Op 1 december 2025 zijn de zaken gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat, die tevens optrad namens de jongmeerderjarige;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat.
De jongmeerderjarige is zelf niet op de zitting verschenen.
Door de advocaat van de man zijn op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgehouden.

Feiten

  • Partijen zijn volgens het overgelegde ‘Attestation de mariage’ van het Consulaat Generaal van het Koninkrijk van Marokko in Rotterdam, op [dag] 1988 in
  • Partijen zijn de ouders van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] .
  • Partijen en de jongmeerderjarige hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

In de echtscheidingsprocedure
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
  • te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is verschuldigd van € 239,- bruto per maand;
  • te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning in [adres] toekomt aan de vrouw;
  • de kosten van deze procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man:
primair:
- het verzoek van de vrouw tot echtscheiding met nevenvoorzieningen af te wijzen, althans de procedure aan te houden tot partijen een of meerdere verzoeningspogingen hebben ondernomen;
subsidiair:
  • het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw af te wijzen;
  • het huurrecht van de echtelijke woning in [adres] aan de man toe te kennen;
alsmede:
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten van de man.
De vrouw voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De rechtbank beschouwt het initiële verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man een
alimentatie voor de jongmeerderjarige moet betalen van € 944,- per maand als ingetrokken.
In de alimentatieprocedure
De jongmeerderjarige verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 187,86 aan alimentatie aan de jongmeerderjarige moet voldoen, te indexeren per 1 januari 2026;
  • de kosten van deze procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, met compensatie van de proceskosten.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 onder Pro a) van de Brussel II ter-verordening (nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) heeft de Nederlandse rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding.
De rechtbank past op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en zij verzoekt om de echtscheiding uit te spreken.
De man wil niet van de vrouw scheiden. In de visie van de man moet het verzoek van de vrouw worden afgewezen, dan wel moet partijen de kans gegeven worden om tot verzoening te komen, zoals de Marokkaanse rechtbank ook zou doen.
De rechtbank overweegt als volgt. Als één van beide partijen het huwelijk niet wil voortzetten, is dit voldoende om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. De vrouw volhardt in haar wens om van de man te scheiden en heeft deze wens op de zitting ook uitdrukkelijk herhaald. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van de voor de echtscheiding vereiste duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond toewijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat partijen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro de Verordening betreffende onderhoudsverplichtingen (nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
De rechtbank past op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de vrouw degene is die een verzoek tot partneralimentatie heeft gedaan, ligt het op haar weg om haar behoefte te onderbouwen. De vrouw heeft dit in het verzoekschrift gedaan door de Hofnorm toe te passen op een geschat inkomen van de man van € 75.000,- en haar behoefte gesteld op € 2.279,- netto per maand in 2024. De man heeft het door de vrouw geschatte inkomen en de behoefte gemotiveerd betwist door overlegging van financiële stukken uit 2021 tot en met 2025. De rechtbank kan het resultaat van de berekening van de vrouw daarom niet tot uitgangspunt nemen. De vrouw heeft ook geen behoeftelijst overgelegd en onvoldoende duidelijk is geworden in hoeverre de vrouw in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw – gelet op de gemotiveerde betwisting door de man – haar verzoek tot partneralimentatie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie daarom afwijzen.
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de woning in Nederland is gelegen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 derde Pro lid aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht om te beslissen op de verzoeken tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning.
De rechtbank past op grond van Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen verzoeken om hen moverende redenen om het huurrecht van de echtelijke woning aan respectievelijk haar of hem toe te kennen.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat beide partijen een groot belang hebben bij het huurrecht van de echtelijke woning. In de huidige schaarse woningmarkt is het voor beide partijen moeilijk om andere woonruimte te vinden. Ieder van partijen heeft haar of zijn eigen redenen waarom zij respectievelijk hij graag in de echtelijke woning wil blijven wonen, welke redenen vervolgens door de ander gemotiveerd zijn betwist.
De belangen van partijen tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van de man bij toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. Daarbij hecht de rechtbank met name waarde aan het feit dat de vrouw samen met de jongmeerderjarige – in tegenstelling tot de man – in ieder geval voorlopig bij de dochter van partijen, die in dezelfde straat woont, terecht kan. De rechtbank begrijpt dat dit zeker op de lange termijn geen ideale situatie is, maar dit maakt dat de vrouw anders dan de man (in ieder geval tijdelijk) wel elders kan verblijven. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen, onder afwijzing van het verzoek van de vrouw.
De rechtbank heeft op de zitting met partijen gesproken over het gunnen van een redelijke termijn aan de andere partij om woonruimte te vinden. De rechtbank zal de vrouw – nu de situatie in de echtelijke woning naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig nijpend is dat de vrouw de echtelijke woning direct moet verlaten – een redelijke termijn gunnen om vervangende woonruimte te vinden. De rechtbank zal daarom het huurrecht van de echtelijke woning met ingang van 5 juli 2026 toewijzen aan de man. Op deze manier heeft de vrouw in ieder geval zeven maanden na de datum van deze beschikking de tijd om andere woonruimte te vinden.
Proceskostenveroordeling
De vrouw verzoekt om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De man verzoekt om de vrouw in de proceskosten te compenseren, omdat zij deze procedure is gestart zonder overleg over alternatieve oplossingen.
De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen (ex-)echtlieden terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling. In beginsel worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zijn of haar eigen proceskosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft onderbouwd dat in dit geval sprake is van zo’n uitzonderlijk geval, temeer omdat van de vrouw niet kon worden verwacht dat zij geen procedure zou starten nu de man niet wil scheiden. De rechtbank zal het verzoek van de man om de vrouw in de kosten van deze procedure te veroordelen daarom afwijzen en de proceskosten van partijen compenseren, zoals in het dictum van deze beschikking vermeld.
Alimentatie voor de jongmeerderjarige
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat partijen in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro de Verordening betreffende onderhoudsverplichtingen (nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
De rechtbank past op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Behoefte
Tussen partijen is de behoefte van de jongmeerderjarige in geschil.
De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk, de behoefte van de jongmeerderjarige vaststellen aan de hand van de ‘Normbedragen studiefinanciering 2025’. Die norm bedraagt € 1.122,86 per maand (€ 125,99 basisbeurs + € 475,17 aanvullende beurs + € 304,95 lening + € 216,75 collegegeldkrediet).
De rechtbank gaat daarbij dus voorbij aan de stelling van de man dat bij de bepaling van de behoefte van de jongmeerderjarige geen rekening moet worden gehouden met een lening, omdat de jongmeerderjarige niet leent. Het normbedrag ziet namelijk op het budget dat een jongmeerderjarige nodig heeft om van te leven en te studeren.
Niet in geschil is verder dat de jongmeerderjarige met zijn bijbaan € 350,- netto per maand verdient. Dit bedrag komt, net als de basis- en aanvullende beurs van (€ 125,99 + € 475,17 =) € 601,16 per maand, in mindering op de behoefte van de jongmeerderjarige.
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank de behoefte van de jongmeerderjarige op
(€ 1.122,86 – € 125,99 – € 475,17 – € 350,- =) afgerond € 172,- per maand in 2025.
Draagkracht vrouw
De man heeft de door de jongmeerderjarige gestelde draagkracht van de vrouw van € 25,- per maand niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.
Draagkracht man
Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil.
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man voor de alimentatie voor de jongmeerderjarige uitgaan van de prognose van januari tot en met september 2025, waaruit een verwachte winst uit onderneming blijkt van € 18.847,- ([€ 14.135,17 bruto / 9] x 12) in 2025.
De rechtbank houdt rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.
Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
De rechtbank berekent aldus het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.508,- per maand in 2026 en de draagkracht van de man op € 25,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (€ 25,- + € 25,- =) € 50,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de jongmeerderjarige te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking en de man moet maximaal bijdragen aan de behoefte van de jongmeerderjarige. Dit betekent dat de man een bedrag van € 25,- per maand moet betalen aan alimentatie. Omdat de jongmeerderjarige € 150,- per maand kostgeld betaalt aan de man, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat hij in natura voorziet door de jongmeerderjarige woonruimte te verschaffen, de huur en de vaste lasten te betalen en zorg te dragen voor de boodschappen en de was. Feitelijk betaalt de jongmeerderjarige hier met kostgeld zelf (gedeeltelijk) voor.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man, met ingang van 6 januari 2026, een alimentatie voor de jongmeerderjarige moet betalen van € 25,- per maand. De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de alimentatie voor de jongmeerderjarige afwijzen.
Aanhechten berekening
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Deze berekening is aan de beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank – ook conform de verzoeken van partijen – de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
inzake C/09/674621 en FA RK 24-7650
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [dag] 1988 in [plaats] , Marokko;
*
bepaalt dat de man, met ingang van 5 juli 2026, de huurder zal zijn van de woning in [adres] , en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
inzake C/09695034 en FA RK 25-8841
*
bepaalt de door de man, met ingang van 6 januari 2026, te betalen alimentatie voor de jongmeerderjarige op € 25,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de jongmeerderjarige te voldoen, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 januari 2026.