ECLI:NL:RBDHA:2026:2199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/689627 / HA RK 25-404
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidFederale Wet nr. 17 van 1972 betreffende de nationaliteit en de paspoortendecreet 276 uit 1969 (Syrië)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse achtergrond

Verzoekster, geboren in 1988 in de Verenigde Arabische Emiraten en van Palestijnse afkomst, heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Zij verzoekt de rechtbank om haar staatloosheid vast te stellen. De rechtbank betrekt de relevante landen Palestijnse Gebieden, Syrië, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten in haar beoordeling.

De rechtbank concludeert dat verzoekster niet als onderdaan wordt beschouwd door de Palestijnse Gebieden, aangezien Nederland deze nationaliteit niet erkent. Ook is het niet aannemelijk dat zij de Syrische nationaliteit bezit, omdat zij niet voldoet aan de afstammingscriteria en de Syrische overheid haar als Palestijn zonder Syrische nationaliteit beschouwt. De geboorte in de Verenigde Arabische Emiraten geeft haar geen nationaliteit, omdat de nationaliteitswetgeving van dat land dit niet toekent zonder vaderlijke nationaliteit en naturalisatie voor Palestijnen praktisch niet mogelijk is.

Verder is vastgesteld dat verzoekster illegaal in Turkije verbleef, maar ook daar is het niet aannemelijk dat zij de Turkse nationaliteit heeft verkregen, omdat zij niet voldoet aan de wettelijke vereisten. De rechtbank stelt daarom vast dat verzoekster staatloos is. De vordering tot veroordeling van de Staat in proceskosten wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is omdat geen enkele staat haar als onderdaan erkent.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-404
Zaaknummer: C/09/689627
Datum beschikking: 7 januari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 28 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.E. de Poorte te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. J. Laros.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 30 oktober 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 25 november 2025 van de zijde van verzoekster;
- het e-mailbericht van 26 november 2025 van de zijde van verzoekster.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster en tot veroordeling van de Staat in de proceskosten.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
- Verzoekster is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel, geldig tot 30 maart 2028.
- Verzoekster is in het bezit van de volgende documenten, welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
 Originele identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen uit Syrië,
 Origineel uittreksel geboorteregister GAPAR,
 Origineel UNWRA Family Registration Card.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, de [geboorteland] , Syrië en Turkije in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster te betrekken. Verzoekster stelt van een Palestijn uit Syrië te zijn, is in de [geboorteland] geboren en heeft illegaal in Turkije verbleven.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Syrische nationaliteit via haar vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoekster beschikt ook over een Syrische identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoekster beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Wordt verzoekster als onderdaan van de [geboorteland] beschouwd?
Verzoekster is geboren in de [geboorteland] . Op grond van de nationaliteitswetgeving van de VAE (‘Federale Wet nr. 17 van 1972 betreffende de nationaliteit en de paspoorten’) wordt de nationaliteit verkregen wanneer de vader of, in uitzonderingsgevallen, de moeder de nationaliteit van de [geboorteland] bezit. Ook wordt de nationaliteit verkregen door personen die in de Staat zijn geboren uit onbekende ouders. De vader van verzoekster heeft de Palestijnse nationaliteit. De geboorte van verzoekster in de [geboorteland] alleen is onvoldoende om de nationaliteit te verkrijgen.
De [geboorteland] hebben het Casablanca Protocol getekend wat betekent dat Palestijnen in de praktijk niet zullen kunnen naturaliseren. Niet gebleken is verder dat verzoekster tot een categorie vreemdelingen behoort voor wie het onder strikte voorwaarden mogelijk is te naturaliseren.
De rechtbank vindt het – gelet op het voorgaande – niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de nationaliteit van de [geboorteland] .
Wordt verzoekster als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoekster heeft van de zomer van 2014 tot maart 2023 illegaal in Turkije verbleven.
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw).
De Turkse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming of geboorte op Turks grondgebied. Voor de verkrijging van de Turkse nationaliteit via afstamming geldt dat afstamming van ten minste één Turkse ouder is vastgesteld. De verkrijgingsgrond door geboorte op Turks grondgebied heeft alleen betrekking op in Turkije geboren kinderen die bij geboorte – behoudens de Turkse nationaliteit – staatloos zouden zijn (art. 8 lid 1 Stbw Pro).
De Turkse nationaliteit kan worden verleend indien men voldoet aan bepaalde wettelijke eisen (art. 11 e.v. Stbw).
Van deze situaties is niet gebleken zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Turkse nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoekster door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoekster kan worden vastgesteld.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2026.